Alle soortenZangvogelsHoningeters › Eungellahoningeter

Eungellahoningeter | Bolemoreus hindwoodi

Eungella Honeyeater | Mielero de hindwood

De eungellahoningeter heeft het kleinste verspreidingsgebied van alle broedende zangvogels van Australië: een strook bergregenwoud van ongeveer twintig bij zestig kilometer in de Clarke Range, ruim zestig kilometer ten westen van Mackay in Queensland. Hij is onopvallend — donkergrijs boven, midgrijs met vage streping onder — en werd pas in 1983 als aparte soort beschreven, nadat hij tot dan toe voor een buitenpost van de bontbekhoningeter was aangezien. Binnen zijn kleine gebied is hij niet zeldzaam; daarbuiten is hij nergens te vinden.

Eungellahoningeter (Bolemoreus hindwoodi)
Foto: (c) Alan Bell, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het repertoire is nog maar ten dele beschreven, wat voor een Australische zangvogel uitzonderlijk is en alles zegt over hoe weinig de soort bestudeerd is. Wat vastligt zijn heldere, scherpe contactroepen, doorgaans in korte reeksen, en een luider, meer nasaal aandoend geroep bij bloeiende bomen, waar meerdere vogels elkaar achternazitten. In het bergregenwoud van Eungella draagt dat geluid goed, en het is meestal het eerste waaraan waarnemers de soort opmerken — zeker in de mistbanken die dit bos vrijwel dagelijks vullen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote honingeter van zestien tot ruim achttien centimeter, gebouwd als een slanke Bolemoreus, met een licht omlaaggebogen snavel. De bovendelen zijn gelijkmatig donkergrijs, de onderdelen midgrijs met vage lichtere streping — een bijzonder weinigzeggend kleed. De kenmerken zitten op de kop: een smalle witte tot crèmegele streep onder het oog, een klein wit vlekje net achter het oog, witte oorpluimpjes en een lichte streep in de mondhoek. De iris is lichtgrijsblauw, de poten donkergrijs. Doorslaggevend is de snavel, die geheel zwart is. Man en vrouw zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De bontbekhoningeter (Bolemoreus frenatus) is de soort waarvan de eungellahoningeter tot 1983 een vorm heette, en de twee zijn in de hand nauwelijks te scheiden op kleed alleen. Twee dingen beslissen: de snavel is bij de eungellahoningeter geheel zwart en bij de bontbekhoningeter zwart met een gele basis, en de verspreidingsgebieden liggen ruim driehonderd kilometer uit elkaar — de bontbekhoningeter komt niet zuidelijker dan Mount Spec, de eungellahoningeter alleen in de Clarke Range. Ter plaatse is de geeloorhoningeter (Meliphaga lewinii) de echte valkuil: die is er talrijk en even grijsbruin, maar heeft een halvemaanvormige gele oorvlek en een ratelende, machinegeweerachtige roep. De geelmaskerhoningeter (Caligavis chrysops) komt eveneens voor maar heeft een scherpe gele gezichtsstreep dwars door het oog en is kleiner.

Leefgebied

Plateauregenwoud in de oostelijke Clarke Range en de Sarina Range, doorgaans boven de negenhonderd meter, met een voorkeur voor bosranden en de begroeide kloven en kreekjes. In de winter zakken vogels naar lager gelegen bos af om bloeiende bomen te volgen en worden ze soms in tuinen rond Mackay gezien; hoe regelmatig die beweging is, is niet goed bekend. Het voedsel bestaat uit nectar van bloeiende regenwoud- en eucalyptusbomen, aangevuld met insecten uit het gebladerte. Over nestbouw en broedbiologie is weinig gepubliceerd.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in Australië, en binnen Australië beperkt tot een gebied van ongeveer twintig bij zestig kilometer in de Clarke Range en de aangrenzende Sarina Range, ten westen en zuidwesten van Mackay in midden-Queensland. Het Eungella National Park vormt de kern. Dit is het kleinste areaal van alle broedende zangvogels van het continent. Binnen dat gebied is de soort gewoon: een onderzoeksgroep heeft er honderdnegenentwintig vogels op acht plaatsen over vijfentwintig kilometer van de bergketen gekleurringd. Met bijna duizend waarnemingen in tien jaar hoort ze bij de minder gemelde soorten van de gids, wat vooral de afgelegen ligging weerspiegelt. In Nieuw-Zeeland komt ze niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Er is maar één adres: het bergregenwoud van Eungella, ongeveer een uur rijden vanaf Mackay. Loop de bosranden en de kloofjes rond Broken River en de wandelpaden bij het bezoekerscentrum af, bij voorkeur vroeg, en zoek naar bloeiende bomen langs de rand van het bos. Hoor of zie u een grijze honingeter, kijk dan eerst naar de snavel — geheel zwart — en pas daarna naar het gezicht. Wie op het oorvlekje let en een gele halvemaan ziet, heeft de geeloorhoningeter. De mist die dit bos vrijwel dagelijks vult maakt de eerste uren na zonsopgang het meest kansrijk.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT) op de rode lijst van de IUCN en in Queensland als kwetsbaar aangemerkt. De reden is niet een aangetoonde achteruitgang maar de omvang van het gebied: een soort die op één bergrug in één klein regenwoud staat, heeft geen tweede populatie om op terug te vallen. De genoemde risico's zijn brand — die in droge jaren tot in de regenwoudrand kan doordringen — en klimaatverandering, die de koele, mistige hoogzone waarvan de soort leeft van onderaf wegdrukt. Er bestaat geen nationaal herstelplan; het veldwerk komt grotendeels van een vrijwilligersgroep die de vogels ringt en volgt.

Wetenschappelijke naam

Bolemoreus hindwoodi | (Longmore & Boles, 1983)

N. Wayne Longmore en Walter Boles beschreven de soort in 1983 als Meliphaga hindwoodi; omdat ze sindsdien tweemaal van geslacht is gewisseld — eerst naar Lichenostomus, in 2011 naar het nieuwe geslacht Bolemoreus — staan auteur en jaartal tussen haakjes. De naam van dat geslacht is samengesteld uit die van Boles en Longmore zelf. Het epitheton hindwoodi eert Keith Alfred Hindwood (1904–1971), een Australische amateurornitholoog die voorzitter van de Royal Australasian Ornithologists Union werd. Het eerste exemplaar werd in 1975 in de Clarke Range verzameld; Longmore herkende het in 1976 in de museumcollectie als iets nieuws, en expedities in 1978 en 1980 bevestigden het bestaan van de vogel in het veld. De naam Eungella zou teruggaan op een Aboriginalwoord voor 'berg van de mist' of 'land van de wolk' — een treffende beschrijving van het enige bos waar deze soort leeft.