Alle soorten › Zangvogels › Rupsvogels › Geeloogrupsvogel
Geeloogrupsvogel | Coracina lineata
Barred Cuckooshrike | Oruguero lineado
De geeloogrupsvogel is de rupsvogel van het regenwoud, en hij laat zich vooral zien waar vijgen rijpen. Staat een grote Ficus in vrucht, dan kan een losse troep van tien tot dertig vogels dagenlang in de kroon blijven hangen: zwaar en traag bewegend, weinig opvallend van onderaf, met een zacht rollend geluid dat door het bladerdak omlaag zakt. Van dichtbij verraadt hij zich onmiddellijk aan twee dingen die geen enkele andere Australische rupsvogel heeft: een helder gele iris in een verder donker gezicht, en een onderzijde die van de borst tot onder de staart fijn dwars gebandeerd is.
Geluid
Een zacht, rollend, licht nasaal 'kreeuw' of 'prrieup', meestal in de vlucht gegeven of vanaf een zitplaats hoog in de kroon, en vaak door meerdere vogels van dezelfde troep kort na elkaar herhaald. Het is een opvallend zacht geluid voor zo'n forse vogel: veel ronder en minder scherp dan het krassende 'skeeif' van de Australische rupsvogel (Coracina novaehollandiae), en het draagt niet ver. Juist daardoor is het een goede aanwijzing: wie boven zich in een vijgenboom een zacht rollend gemompel hoort zonder dat er iets te zien is, kijkt beter nog eens goed. Een eigenlijke zang heeft de soort niet; het repertoire bestaat uit contactroepen tussen troepgenoten en een wat schriller alarmgeluid.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een forse rupsvogel van ongeveer vierentwintig tot zevenentwintig centimeter, egaal blauwgrijs op kop, rug en vleugels, met een zwartachtige teugel en kin die als een klein donker masker om de snavelbasis ligt. Het beslissende kenmerk is de iris: helder citroengeel tot goudgeel, waardoor het oog van een afstand al oplicht in het donkere gezicht — daaraan dankt de soort haar Nederlandse naam, en ook de Engelse veldcode van Cornell verwijst ernaar. Het tweede kenmerk zit op de onderzijde: vanaf de borst tot de onderstaartdekveren is die wit met fijne, regelmatige zwartgrijze dwarsbandjes, een patroon dat de wetenschappelijke naam lineata en de Engelse naam verklaart. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar; bij het vrouwtje loopt de bandering doorgaans verder naar voren over de keel, bij het mannetje blijven keel en bovenborst effener grijs. Jonge vogels zijn valer en grover gebandeerd.
Verwarringssoorten
De echte valkuil is de papoearupsvogel (Coracina papuensis), die even grijs is en in dezelfde kustbossen kan zitten. Die heeft echter een donkere, niet gele iris, een witte en volstrekt ongebandeerde buik, en een zwart gezichtsmasker dat naar achteren doorloopt in plaats van tot de teugel beperkt te blijven. De Australische rupsvogel (Coracina novaehollandiae) is groter, langer van vleugel, heeft een breed zwart masker dat keel en oog omvat, een donkere iris en een effen lichtgrijze onderzijde; bovendien is hij een vogel van open woodland en niet van gesloten regenwoud, en hij heeft de kenmerkende gewoonte om na de landing de vleugels een paar keer te vouwen. De grondrupsvogel (Coracina maxima) heeft wél een gebandeerde onderzijde, maar is een vogel van de droge binnenlandse vlakten die veel op de grond loopt, met een veel langere staart en een geheel ander areaal. Wie een gebandeerde rupsvogel in regenwoud ziet, kijkt dus naar de geeloogrupsvogel; wie er een in spinifex- of mitchellgrasland ziet, naar de grondrupsvogel.
Leefgebied
Tropisch en subtropisch regenwoud en de randen daarvan, aangrenzend nat eucalyptusbos, galerijbos langs kreken en in het noorden moessonbos en vine thicket. Waar vijgenbomen in parken, tuinen en langs wegen staan, komt de soort ook daar. Het dieet is uitgesproken frugivoor: vijgen vormen de hoofdmoot, aangevuld met andere zachte bosvruchten en met insecten en rupsen die van bladeren worden geplukt. Die vruchtafhankelijkheid maakt de vogels plaatselijk sterk zwervend — ze volgen het vruchtaanbod en kunnen maanden uit een gebied wegblijven om er bij de volgende vijgendracht weer met tientallen te zitten. Het nest is een ondiepe, kleine schotel van twijgjes en spinrag, hoog in een horizontale vork van een bosboom gebouwd en van onderaf nauwelijks te zien; het legsel is klein, meestal twee eieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Australië beperkt tot de oostelijke kuststrook en het aangrenzende achterland, van het Kaap York-schiereiland zuidwaarts langs de natte tropen en het Queenslandse kustgebergte tot het noorden van Nieuw-Zuid-Wales, met de zuidgrens ongeveer ter hoogte van de Hunter- en Manning-riviervalleien. Buiten Australië komt de soort voor op Nieuw-Guinea, de Bismarck-archipel en de Salomonseilanden, waar een reeks eilandvormen wordt onderscheiden; de Australische vogels behoren tot de nominaatvorm, die Swainson beschreef naar een vogel van Moreton Bay. De soort ontbreekt geheel in Nieuw-Zeeland, in het westen en het binnenland van Australië en op Tasmanië.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek niet naar de vogel maar naar de boom. Een vruchtdragende Ficus in of aan de rand van regenwoud — in de Wet Tropics rond Cairns en Atherton, in de Border Ranges, op Lamington — trekt in het vruchtseizoen vrijwel alles wat vijgen eet, en de geeloogrupsvogel zit er vaak stil en hoog tussen. Neem de tijd: de vogels bewegen weinig en vallen in tegenlicht bijna volledig weg. Krijgt u er een goed in beeld, controleer dan in deze volgorde: eerst de iris (geel of donker), dan de buik (gebandeerd of effen). Die twee samen sluiten elke andere rupsvogel uit. Let ook op het zachte rollende geluid dat troepjes onderweg naar een vijgenboom onderling maken; dat is vaak het eerste teken dat ze in de buurt zijn.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC): de soort is over een groot eilandgebied verspreid en nergens zeldzaam in de kern van haar areaal. De Australische populatie is echter volledig afhankelijk van regenwoud en van grote, oude vijgenbomen, en beide zijn in het zuidoosten van het areaal historisch zwaar teruggedrongen door de ontginning van het laaglandregenwoud in zuidelijk Queensland en noordelijk Nieuw-Zuid-Wales. Aan die zuidrand is de vogel dan ook schaars en onregelmatig. Behoud van vruchtdragende bomen in het bos zelf en in de resterende bospercelen langs kreken en wegen is voor deze soort belangrijker dan de totale bosoppervlakte, omdat één goede vijgendracht een hele streek maandenlang van voedsel voorziet.
Wetenschappelijke naam
Coracina lineata | (Swainson, 1825)
William John Swainson beschreef de soort in 1825 als Ceblepyris lineata, naar een vogel van Moreton Bay in Queensland; auteur en jaartal staan daarom tussen haakjes, want de soort staat nu in Coracina. Die geslachtsnaam gaat terug op het Griekse korakinos, 'kleine raaf', naar de donkergrijze kleur van veel soorten. Het epitheton lineata is Latijn voor 'gestreept' of 'gelijnd' en slaat op de fijne dwarsbandering van de onderzijde — hetzelfde kenmerk dat de Engelse naam Barred Cuckooshrike en de Spaanse naam oruguero lineado kiezen. De Nederlandse naam geeloogrupsvogel kiest juist het andere kenmerk, de gele iris, en is in het veld minstens zo bruikbaar. Het geslacht Coracina is in de afgelopen twee decennia sterk ingekrompen doordat moleculair onderzoek aantoonde dat het niet één natuurlijke groep vormde; een deel van de soorten verhuisde naar Edolisoma, maar de geeloogrupsvogel bleef in Coracina.



