Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Gele rietvink
Gele rietvink | Lonchura flaviprymna
Yellow-rumped Mannikin | Capuchino culiamarillo
De gele rietvink is de zeldzaamste en meest beperkt verspreide rietvink van Australië: een bleke, zachtgekleurde vogel van het Top End, met een lichtgrijze kop, roomwitte onderdelen en een warme geeloranje stuit. Hij leeft vrijwel altijd in het gezelschap van de veel algemenere bruinborstrietvink, en hybridiseert daar ook mee.
Geluid
Het contactgeluid is een hoog, dun tiet, in de praktijk niet met zekerheid van dat van de bruinborstrietvink te onderscheiden; in gemengde troepen is stemgeluid daarom geen determinatiemiddel. Bij opvliegen een snelle reeks van hetzelfde, als een fijn gerinkel. De zang van het mannetje is zeer zacht en bestaat uit gedempte klikjes en een laag gezoem, alleen van dichtbij hoorbaar en vrijwel altijd gericht op één vrouwtje.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Elf tot twaalf centimeter, gedrongen, met een zware blauwgrijze kegelsnavel. De kop is effen lichtgrijs tot zilvergrijs zonder zwart masker of zwarte keel. De bovendelen zijn warm lichtbruin tot kaneelkleurig, effen, zonder tekening. De onderdelen zijn roomwit tot vuilwit en missen zowel een kastanjebruine borst als een zwarte borstband. Stuit en bovenstaartdekveren zijn helder geeloranje, de ondertaartdekveren donker. Vrouwtjes zien er als mannetjes uit. Jonge vogels zijn effen grijsbruin en dan nauwelijks van jonge bruinborstrietvinken te scheiden.
Verwarringssoorten
De bruinborstrietvink (Lonchura castaneothorax) is de kritische soort: die heeft een zwart gezicht en een zwarte keel, een kastanjebruine borst en een zwarte borstband, alle drie afwezig bij de gele rietvink. Waar de arealen in het Top End overlappen, mengen de troepen en treden regelmatig hybriden op met een halve keelvlek of een onvolledige borstband; dergelijke vogels laten zich niet op naam brengen en moeten als hybride worden genoteerd. De twee zijn ooit als één soort opgevat; ze worden nu als twee soorten beschouwd. De witborstrietvink (Heteromunia pectoralis) heeft een zwart masker en een geschubde borst en mist de gele stuit geheel.
Leefgebied
Hoog gras, riet en biezen langs rivieren, billabongs (afgesneden rivierarm die alleen bij hoogwater doorstroomt), moerasranden en veedammen in de tropische savanne, en het aangrenzende overstromingsgrasland. De voedselkeus is die van alle rietvinken: halfrijp graszaad, klimmend aan de halmen afgehaald. Water binnen vliegafstand is een vaste voorwaarde, en in de droge tijd concentreren de vogels zich aan de resterende poelen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Een klein areaal in het noorden van Australië: van de noordoostelijke Kimberley in West-Australië oostwaarts tot het noordwesten van het Noordelijk Territorium, met de rivierdalen van de Victoria, de Daly en de Roper als bekendste gebieden. Daarbuiten komt de soort nergens ter wereld voor. Standvogel met verplaatsingen op kleine schaal tussen natte en droge tijd; de aantallen zijn slecht bekend, mede doordat de vogels in gemengde troepen zitten en bij tellingen makkelijk over het hoofd worden gezien.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Scan gemengde rietvinktroepen halm voor halm bij een drinkplaats in het Top End — vrijwel elke waarneming van deze soort komt uit zo'n troep. Zoek de bleke, effen kop zonder zwart: die valt tussen de zwartgemaskerde bruinborstrietvinken op als een lichte vlek. Let daarbij op tussenvormen met een halve keelvlek en noteer die apart.
Staat van instandhouding
Wereldwijd beoordeeld als niet bedreigd, maar dat oordeel rust op een klein areaal en op slecht bekende aantallen. Veranderingen in het brandregime, begrazing van overstromingsgrasland tot aan de oever en de uitbreiding van ingevoerde grassen zoals gambagras worden als voornaamste zorgen genoemd, omdat ze het hoge inheemse gras vervangen waarvan de soort leeft. De hybridisatie met de bruinborstrietvink maakt monitoring bovendien lastig: gemengde troepen vragen om zorgvuldig onderscheid in tellingen.
Wetenschappelijke naam
Lonchura flaviprymna | (Gould, 1845)
Gould beschreef de vogel in 1845 als Donacola flaviprymna, naar een exemplaar van de noordkust van Australië dat aan de Victoria River in het Noordelijk Territorium wordt toegeschreven; omdat de soort later in een ander geslacht kwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam zet het Latijnse flavus 'geel' voor het Griekse prumna 'achtersteven, achterste deel': geelstuit. Het geslacht Lonchura werd in 1832 door Sykes ingevoerd, uit Grieks lonkhe 'speerpunt' en oura 'staart'. De Nederlandse naam benoemt dezelfde gele stuit.



