Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Glansparkiet
Glansparkiet | Neophema splendida
Scarlet-chested Parrot | Periquito espléndido
De glansparkiet is de mooiste en de moeilijkst te vinden van de grasparkieten: een kleine vogel van het spinifex- en mulgaland (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) in het droge binnenland, waarvan het mannetje een kobaltblauw gezicht, een grasgroene rug en een felscharlaken borst draagt. Hij is zwervend en onvoorspelbaar — jarenlang laat hij zich in een streek niet zien, om na een natte winter ineens met tientallen op te duiken.
Geluid
Opvallend zacht voor een papegaai en duidelijk stiller dan alle andere soorten in dit geslacht: een ijl, gedempt gekwetter tsit-tsit-tsit, vaak niet verder dan enkele tientallen meters hoorbaar. In de vlucht klinkt een dunne, dalende contactnoot; bij het foerageren houdt een groepje een nauwelijks hoorbaar gebabbel aan. Juist die zwijgzaamheid maakt hem in het veld zo makkelijk over het hoofd te zien.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een parkiet van zo'n twintig centimeter. Het mannetje is onmiskenbaar: het hele gezicht tot achter het oog is diep kobaltblauw, de kruin en de bovendelen zijn helder grasgroen, de borst is een grote, scherp begrensde scharlakenrode vlek en de buik en onderstaartdekveren zijn geel. De vleugeldekveren zijn lichtblauw met donkerblauwe handpennen, zodat de opgevouwen vleugel een tweetonig blauw toont. Het vrouwtje mist het rood volledig: gezicht bleker blauw en minder uitgebreid, borst groen, buik geel. Jonge mannetjes krijgen de eerste rode veertjes op twee à drie maanden, maar de volle scharlaken borst pas met vijftien tot achttien maanden.
Verwarringssoorten
Het mannetje is met niets te verwarren — geen andere grasparkiet heeft een rode borst. Het vrouwtje is het probleem. Het lijkt sterk op het vrouwtje van de turkooisparkiet (Neophema pulchella), maar die heeft een bleek, vaalblauw gezicht met een opvallende crèmekleurige kale oogring, een witte band op de ondervleugel in de vlucht, en leeft ver oostelijker in eucalyptus- en callitrisbos. Bij de blauwvleugelparkiet (Neophema chrysostoma) en de prachtparkiet (Neophema elegans) is het blauw op de kop tot een smalle voorhoofdsband beperkt in plaats van een heel blauw gezicht, en zijn de bovendelen olijf- of goudgroen in plaats van grasgroen. De oranjebuikparkiet (Neophema chrysogaster) heeft eveneens alleen een voorhoofdsband, draagt een oranje buikvlek en komt uitsluitend in het uiterste zuidoosten voor.
Leefgebied
Droog struweel en grasland van het binnenland: mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), mulga- en acaciastruweel, saltbushvlakten (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) met Atriplex en de randen van spinifexland met Triodia. Hij heeft struiken of lage bomen met holten nodig om in te broeden, en verder vooral kale grond met zaaddragende kruiden. Anders dan de meeste parkieten kan hij lange tijd zonder open water, en hij haalt vocht uit dauw en uit sappige zaden en bladeren — daardoor zit hij vaak juist in streken waar geen drinkplaats te vinden is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het binnenland van zuidelijk Australië, met de Great Victoria Desert en de aangrenzende streken als kern: van het zuidoosten van West-Australië door het noorden en westen van Zuid-Australië tot het zuiden van het Noordelijk Territorium en het uiterste westen van Nieuw-Zuid-Wales. De grenzen van dat gebied schuiven sterk: na goede regens verschijnt hij ver buiten de kern, in droge jaren verdwijnt hij uit hele districten. Hij komt niet voor in Tasmanië, Nieuw-Zeeland of op Norfolkeiland.
- Jaarrond
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Reken niet op zoeken maar op timing: volg de berichten over regen in het binnenland en ga een of twee seizoenen later kijken, wanneer de kruidlaag in zaad staat. Rijd in de vroege ochtend langzaam langs zandige tweesporenwegen door mallee en spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) en let op kleine parkieten die van de kale berm opvliegen. De roep helpt nauwelijks — hij is te zacht — dus kijk naar het felle groen en, als het meezit, naar de rode borst van een mannetje in de zon.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een stabiele populatie: het areaal is zeer groot en ligt grotendeels in dunbevolkt, niet ontgonnen binnenland. Toch is de soort overal schaars en zeer ongelijk verdeeld, en de schattingen zijn onzeker juist doordat hij zo zwervend en zo stil is. Plaatselijke bedreigingen zijn het verdwijnen van de kruidlaag door begrazing door vee, geiten en konijnen, te frequente en te grote branden in spinifexland, en predatie door verwilderde katten en vossen. Hij is bovendien een gewilde volièrevogel; de handel steunt inmiddels vrijwel geheel op gekweekte vogels, zodat vangst in het wild nog maar een beperkte rol speelt.
Wetenschappelijke naam
Neophema splendida | (Gould, 1841)
Gould beschreef de soort in 1841 als Euphema splendida, naar materiaal uit het binnenland van zuidelijk Australië; auteur en jaartal staan daarom tussen haakjes. Het epitheton is het Latijnse splendidus, 'schitterend, glanzend', en daar is ook de Nederlandse gidsnaam op gebouwd, terwijl de Engelse naam juist de scharlaken borst van het mannetje benoemt. Het geslacht Neophema werd in 1891 ingevoerd door Salvadori en betekent 'de nieuwe Euphema', naar het oudere geslacht van Wagler.



