Alle soortenPapegaaiachtigenHalsbandparkieten › Turkooisparkiet

Turkooisparkiet | Neophema pulchella

Turquoise Parrot | Periquito turquesa

De turkooisparkiet is de grasparkiet van het oostelijke binnenland: grasgroen van boven, helder geel van onderen, met een volledig turkooisblauw gezicht en bij het mannetje een rode schouderband die geen enkele andere soort in de groep heeft. Zijn geschiedenis is opmerkelijk — rond 1915 werd hij vrijwel uitgestorven gewaand, waarna hij vanaf de jaren dertig uit zichzelf weer terugkwam.

Turkooisparkiet (Neophema pulchella)
Foto: Alan — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zacht en hoog: een fijne, gedempte contactnoot die hij zowel foeragerend als vliegend laat horen, ongeveer tsiet, en bij onraad een hoge, scherpe zoemnoot die snel herhaald wordt. Tegen het vallen van de avond kwetteren groepjes uitgebreid door elkaar terwijl ze op hun slaapplaats aanschuiven; dat avondgekwetter is vaak het duidelijkste geluid dat hij maakt. Luid is hij nooit.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een parkiet van twintig tot tweeëntwintig centimeter, met een spanwijdte van ongeveer tweeëndertig centimeter en een gewicht rond veertig gram — het lichtste lid van de groep. Het mannetje heeft een helder turkooisblauw gezicht dat naar de kruin toe donkerder wordt; de bovendelen en de staart zijn grasgroen met gele staartranden. Op de opgevouwen vleugel is de dekveerpartij fel blauw met daarop een rode schouderband; bij gespreide vleugel wordt dat donkerblauw met rood langs de achterrand. De onderdelen zijn helder geel, soms met een oranje waas op de buik. Het vrouwtje is doffer en bleker, met een egaal lichtblauw gezicht en een sterk contrasterende crèmekleurige kale oogring, mist de rode schouderband, en toont in de vlucht een brede witte band over de ondervleugel.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van de glansparkiet (Neophema splendida) is de lastigste: ook die heeft een blauw gezicht en een gele buik, maar haar blauw is dieper en gelijkmatiger, zij mist de opvallende crèmekleurige oogring en de witte ondervleugelband, en de twee overlappen nauwelijks — de glansparkiet zit in het droge binnenland ver naar het westen. De blauwvleugelparkiet (Neophema chrysostoma), de prachtparkiet (Neophema elegans) en de oranjebuikparkiet (Neophema chrysogaster) hebben alle drie slechts een smalle blauwe band over het voorhoofd in plaats van een geheel blauw gezicht, en zijn olijf- of goudgroen in plaats van grasgroen. De rode schouderband van het mannetje is binnen deze zeven soorten uniek en sluit alles in één blik uit.

Leefgebied

Open eucalyptus- en savannebos en vooral bos van inheemse cipres, de callitris, met een grazige ondergroei en zaaddragende kruiden. Hij houdt van overgangen: rotsige heuvelruggen en ravijnen, bosranden tegen grasland aan, en de bomenstroken langs kreken. Hij broedt in verticale of bijna verticale holten van levende en dode bomen, meestal eucalyptussen, van augustus tot januari, met twee tot vijf — zelden tot acht — witte eieren, achttien tot eenentwintig dagen broeden en jongen die al rond drieëntwintig dagen uitvliegen. Foerageren doet hij op de grond, vaak in de schaduw van de bosrand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

De oostelijke binnenlandse helling van Australië, ruwweg van zuidoostelijk Queensland — Cooloola, Blackbutt en Chinchilla — door centraal en oostelijk Nieuw-Zuid-Wales tot noordoostelijk Victoria bij Wangaratta en tot in East Gippsland. Het zwaartepunt ligt op de westelijke hellingen van de Groot Australisch Scheidingsgebergte in Nieuw-Zuid-Wales. Historisch reikte het areaal van Mackay tot Melbourne; na de instorting rond 1900 is Victoria pas in de jaren zestig weer gekoloniseerd. In Tasmanië, Nieuw-Zeeland en op Norfolkeiland komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op de grens van callitrisbos en grasland op de westelijke hellingen in Nieuw-Zuid-Wales, in de vroege ochtend of het laatste uur voor zonsondergang, wanneer hij op de open grond zaden zoekt. Hij is stil en laag bij de grond; meestal zie je hem pas als hij opvliegt, en dan moet je meteen naar de vleugel kijken, want de rode schouderband van het mannetje is dan een halve seconde zichtbaar. Een waterplas in het bos in de late middag is een tweede goede plek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) met een stabiele populatie, maar de soort heeft een waarschuwende geschiedenis. Tot de jaren tachtig van de negentiende eeuw was hij wijdverspreid van Mackay tot Melbourne; daarna stortte hij in door het ontginnen van open bos, overbegrazing van de kruidlaag door vee en konijnen, en massale vangst voor de vogelhandel, tot hij in 1915 als vrijwel uitgestorven werd beschouwd. Vanaf de jaren dertig groeide de populatie in Nieuw-Zuid-Wales weer, en in de jaren zestig keerde hij terug in Victoria. Het herstel is echter niet overal gelijk: in Victoria blijft hij schaars en beperkt tot enkele districten, en het knelpunt is nog steeds hetzelfde — het verdwijnen van oude bomen met broedholten en het wegvallen van de grazige, zaadrijke ondergroei, plus predatie door verwilderde katten en vossen bij het foerageren op de grond. Als volièrevogel is hij inmiddels zo algemeen gekweekt dat vangst in het wild geen rol meer speelt.

Wetenschappelijke naam

Neophema pulchella | (Shaw, 1792)

Shaw beschreef de soort in 1792 als Psittacus pulchellus, naar een vogel uit de omgeving van Port Jackson, het huidige Sydney; auteur en jaartal staan daarom tussen haakjes. Het epitheton is het Latijnse pulchellus, een verkleinvorm van pulcher 'mooi', dus zoiets als 'beeldschoon'; de Engelse, Nederlandse en Spaanse gidsnaam verwijzen daarentegen naar de kleur van het turkooizen gezicht. Het geslacht Neophema werd in 1891 ingevoerd door Salvadori en betekent 'de nieuwe Euphema', naar het oudere geslacht van Wagler.