Alle soortenZangvogelsAustralische vliegenvangers › Grijsborstvliegenvanger

Grijsborstvliegenvanger | Eopsaltria griseogularis

Western Yellow Robin | Petroica pechigrís

De grijsborstvliegenvanger is de gele vliegenvanger van het westen: grijze kop, grijze keel en borst, en daaronder een helder gele buik die als een schort onder het grijs uit komt. Hij zit stil en rechtop op een lage stam of tak, tegen het hout aan geklemd, en laat zich vlak voor zonsopgang horen met een reeks doordringende fluitjes. Van de zuidwestelijke bossen tot ver in de droge binnenlanden van Zuid-Australië is hij een vertrouwde verschijning.

Grijsborstvliegenvanger (Eopsaltria griseogularis)
Foto: Paulweberphoto — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks korte, hoge, doordringende fluittonen, vaak drie tot zes achtereen en steeds op dezelfde hoogte — het klassieke tjop-tjop-tjop van de gele vliegenvangers, dat meestal lang vóór zonsopgang begint, wanneer het nog te donker is om de vogel te zien. Overdag is hij veel stiller: dan hoort u een zacht, laag ratelend tsjrrr en bij onrust een scherpe scheldnoot. Wie in de schemer in een wandoobos (witstammige eucalyptus van zuidwestelijk Australië, en het bos ervan) een aanhoudend piepend fluitje hoort, heeft deze soort.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Ruim veertien tot zestien centimeter en ongeveer negentien gram. De kop, keel en bovenborst zijn effen grijs, de bovendelen olijfgrijs, de vleugel donker met een bleke vleugelstreep, en de onderdelen vanaf de onderborst helder citroengeel. Het grijze bib loopt scherp af tegen dat geel. Het oog is groot en donker, de snavel kort. Man en vrouw zijn gelijk. De twee ondersoorten verschillen vooral in de tint van de stuit — bij de vogels van de zuidwestelijke bossen olijfgrijs, bij die van het drogere oosten geler — en de vorm rosinae, van de Eyre-schiereiland-kant, is de gelere van de twee.

Verwarrings­soorten

Het belangrijkste onderscheid is geografisch én verticaal. In de bossen van het zuidwesten deelt hij het terrein met Eopsaltria georgiana, die er van onderen alleen wit uitziet en van boven zuiver leigrijs is, zonder een spoor van geel of olijf. Verder naar het oosten is er geen andere gele vliegenvanger: Eopsaltria australis, de wijdst verspreide soort van het geslacht, komt niet westelijker dan Zuid-Australië en heeft bovendien véél meer geel — daar begint het geel al op de borst en is alleen de keel grijs, terwijl bij deze soort de hele borst grijs is. Eopsaltria capito is een oostelijke regenwoudsoort met een bleker, vaalgeel ondervlak en een lichte oogring, en komt in het westen niet voor. Kleinere gele vogels als Gerygone fusca missen het grijze bib en zitten hoog in het blad.

Leefgebied

Droog eucalyptusbos en open bos met een struiklaag: wandoo-, salmon-gum- en marribos, mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), acacia- en allocasuarinastruweel, en de dichte kreekbegroeiing daarbinnen. Hij mijdt zowel het echte natte karribos als het kale, afgeweide land; een struik- of stronkenlaag om vanaf te jagen is voorwaarde. Het jagen gebeurt vanaf een lage, verticale zitplaats: de vogel klemt zich zijdelings tegen een stam, kijkt naar beneden en duikt op prooi op de bodem. Het kommetjesnest van bast en spinrag staat in een vork, vaak met helpers uit eerdere legsels bij het grootbrengen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het zuiden van West-Australië en aansluitend het zuiden van Zuid-Australië: van de Murchison-streek zuidwaarts door de graangordel en de bossengordel tot de zuidkust, en oostwaarts langs de rand van de Nullarbor tot in de Gawler Ranges en op het Eyre-schiereiland. Hij is standvogel en houdt het hele jaar hetzelfde territorium aan. In de graangordel is hij door het rooien van open bos plaatselijk sterk achteruitgegaan en overleeft hij vooral in overgebleven bosjes en langs wegbermen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga er vroeg op uit — dit is een vogel van het eerste halfuur. Ga in een wandoobos of langs een beboste wegberm staan als het nog schemerig is en wacht op de reeks fluittonen; de vogel zit daarbij vaak zichtbaar op een kale tak. Kijk daarna gericht naar de ondergrens van het grijs: loopt het grijs tot voorbij de borst, dan is het deze soort; blijft het bij de keel en begint het geel al hoog, dan bent u buiten het areaal en kijkt u naar Eopsaltria australis.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is over haar hele areaal nog wijd verbreid en op veel plaatsen algemeen. De achteruitgang is echter reëel en plaatselijk fors: in de West-Australische graangordel is het grootste deel van het oorspronkelijke open bos gerooid, en de soort houdt zich daar alleen in restanten staande. Ook te frequent brandbeheer, dat de struiklaag wegneemt, en verwilderde katten doen hem geen goed. Waar oude bosjes en brede bermen behouden blijven, blijft hij zitten.

Wetenschappelijke naam

Eopsaltria griseogularis | Gould, 1838

Gould beschreef de vogel in 1838, meteen in het geslacht Eopsaltria, zodat auteur en jaartal zonder haakjes staan; de typelocatie is de Swan River bij Perth. Eopsaltria is gevormd uit Grieks eos (dageraad) en psaltria (harpspeelster), naar de zang in het eerste licht. griseogularis is Latijn voor grijskelig, van griseus (grijs) en gula (keel). De Nederlandse naam noemt de borst waar de wetenschappelijke naam de keel noemt; beide zijn juist, want het grijs bedekt hier keel én borst.