Alle soortenZangvogelsWielewalen › Grijskraagvijgvogel

Grijskraagvijgvogel | Sphecotheres vieilloti

Australasian Figbird | Papafigos de vieillot

De grijskraagvijgvogel is de wielewaal die in troepen leeft. Waar een vijgenboom draagt hangen er twintig tegelijk in, en binnen een paar dagen is de boom kaal. Het mannetje heeft een zwarte kap en een kaal rood masker om het oog; het vrouwtje is bruin en van onder dicht gestreept, zo anders dat de twee lang voor verschillende soorten zijn aangezien.

Grijskraagvijgvogel (Sphecotheres vieilloti)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vanuit de kruin klinkt een hees, wat klagend gefluit, joe-wiet ... wie-oe, korter en schraler dan het volle fluiten van de olijfrugwielewaal. Een foeragerende troep laat onophoudelijk kort geknor, geknetter en gekwetter horen; je hoort de boom meestal eerder dan je hem ziet. Hij bootst goed na: papegaaien, andere wielewalen en de alarmroepen van kleine zangvogels komen alle in zijn repertoire terug.

Luister: ZangXC519434

Opname: James Ray — CC BY-SA 4.0 · Collins St at Botany Rd (near Beaconsfield), Council of the City of Sydney, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen vogel van 28 tot 29 centimeter met een korte staart en een zware roodbruine snavel. Het mannetje is olijfgroen op rug en vleugel en zwart op kop en keel, met een grote kale rode oogring; de zuidelijke vorm draagt daaronder een grijze halskraag, de noordelijke een gele borst zonder kraag. De onderstaartdekveren zijn wit, de staart zwart met witte punten aan de buitenste pennen. Het vrouwtje is dofbruin van boven, wit van onder met zware donkere streping, en heeft een grijze oogring.

Verwarrings­soorten

De olijfrugwielewaal (Oriolus sagittatus) en de mangrovewielewaal (Oriolus flavocinctus) zijn slanker, hebben een langere roze snavel en een rood oog, en zitten alleen of per paar in plaats van in troepen. Het gestreepte vrouwtje van de vijgvogel lijkt op die twee, maar het oog is donker, de snavel korter en de streping loopt tot ver op de flank door. Jonge mannetjes dragen een rommelig mengsel van bruin en olijfgroen.

Leefgebied

Regenwoud en nat eucalyptusbos vormen de kern, maar de soort hoort net zo goed thuis in moessonbos en lianenstruweel, langs mangrove en in stadsparken met vruchtdragende bomen. Waar een vijg, een camphor laurel of een palm draagt verschijnt hij, ook midden in Brisbane of Cairns. Buiten de vruchttijd zwerft hij tussen bosblokken door open bos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

De kuststrook van noordelijk en oostelijk Australië, van de Kimberley in West-Australië door het Noordelijk Territorium en Queensland tot aan de grens van Nieuw-Zuid-Wales en Victoria, en verder zuidelijk Nieuw-Guinea en de Kai-eilanden. Trekken doet hij niet, zwerven wel: in de zomer, van december tot februari, duiken groepen ver naar het zuiden op wanneer daar bomen dragen. Het droge binnenland mijdt hij geheel.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek niet de vogel maar de boom. Een dragende vijg in een park of langs een kreek levert binnen een uur een troep op; ga eronder staan en kijk omhoog, want het vallende fruit verraadt hen. Let bij elk mannetje op de overgang van zwarte kap naar borst: de grijze kraag van de zuidelijke vorm en de gele borst van de noordelijke vorm ontmoeten elkaar rond Townsville, waar tussenvormen voorkomen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort profiteert van de aanplant van vijgen en ander vruchtdragend hout in tuinen, parken en straten en is in de oostelijke steden de laatste halve eeuw juist talrijker geworden. Plaatselijk is het verlies van kustregenwoud een aderlating, maar de vogel wijkt makkelijk uit naar aangeplante bomen. In boomgaarden met zacht fruit geldt hij hier en daar als schadelijk.

Wetenschappelijke naam

Sphecotheres vieilloti | Vigors & Horsfield, 1827

Vigors en Horsfield beschreven de vogel in 1827 als Oriolus vieilloti, bij de wielewalen; omdat hij later naar een ander geslacht ging staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sphecotheres werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, uit het Griekse sphex, sphekos, wesp, en theras, jager: wespenjager. vieilloti eert diezelfde Vieillot. De soort is afgesplitst van Sphecotheres viridis, die nu alleen Timor en omliggende eilanden bewoont.