Alle soorten › Zangvogels › Dikkoppen › Grijsruglijsterdikkop

Grijsruglijsterdikkop | Colluricincla boweri

Bower's Shrikethrush | Picanzo de Bower

De grijsruglijsterdikkop is de lijsterdikkop van de bergregenwouden van tropisch Noordoost-Queensland en komt nergens anders ter wereld voor. Het is een onopvallende grijsbruine bosvogel met een zware, haaksnavelige bek en een krachtige, heldere fluitstem — wie hem vindt, hoort hem meestal eerst. Van zijn wijdverbreide verwant, de arafuralijsterdikkop, is hij met het oog nauwelijks te scheiden; wat hem bepaalt is wáár hij staat: op de Atherton Tableland en de omliggende bergmassieven, en daarboven houdt het gebied op.

Grijsruglijsterdikkop (Colluricincla boweri)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, rijke, helder gefloten stem die ver door het regenwoud draagt en tot de opvallendste geluiden van de Wet Tropics behoort: reeksen van volle, ronde toonstoten, vaak met een klimmende of dalende wending aan het eind, in een rustig tempo uitgesproken. Daartussendoor klinken harde, droge tikken en een schrapend, bijna kwaad klinkend roepje. Het patroon wisselt van vogel tot vogel en van streek tot streek, zodat een bepaalde strofe zelden twee keer op dezelfde manier terugkomt; herkenbaar is vooral de volle, fluitende klankkleur, die niets schel of piepend heeft.

Luister: RoepXC641704

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · Upper Barron, Tablelands Regional, Queensland, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een robuuste bosvogel van ongeveer negentien centimeter met een opvallend zware, donkere snavel die aan de punt licht gehaakt is. De kop en de rug zijn grijs tot grijsbruin — de grijze rug waar de Nederlandse naam op doelt — en gaan zonder scherpe grens over in de vleugels. De onderdelen zijn warm roomkleurig tot bleek okerbruin, met op keel en borst een fijne maar duidelijk zichtbare donkere streping. Het oog is donker, de poten zijn stevig en grijs. Mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit. De vogel beweegt zich bedaard door de middelste laag van het bos, springt van tak naar tak en houdt geregeld stil — heel anders dan de rusteloze waaierstaarten die dezelfde bossen bewonen.

Verwarrings­soorten

De enige echte kandidaat is de arafuralijsterdikkop (Colluricincla megarhyncha), die in dezelfde streek voorkomt maar lager, in het laaglandregenwoud en het moessonbos. Die soort is kleiner en lichter gebouwd, heeft een warmer roodbruine tot olijfbruine rug in plaats van grijs, een lichtere en slankere snavel, en is op de onderdelen egaler — de fijne donkere streping op keel en borst die de grijsruglijsterdikkop draagt, ontbreekt er grotendeels. In de praktijk is de hoogteligging het bruikbaarste kenmerk: boven ruwweg zeshonderd meter is vrijwel elke lijsterdikkop van dit formaat de grijsruglijsterdikkop, in het laagland vrijwel elke de arafuralijsterdikkop, en alleen op de tussenliggende hellingen is voorzichtigheid geboden. De veel grotere grijze lijsterdikkop (Colluricincla harmonica) is lichter grijs, ongestreept van onderen en heeft een witachtig gezicht met een donkere teugel; hij mijdt bovendien het gesloten regenwoud. De grauwe fluiter (Pachycephala simplex) deelt het regenwoud en de onopvallende kleuren, maar is aanzienlijk kleiner, heeft een veel fijnere snavel en een ander, ijler stemgeluid.

Leefgebied

Tropisch berg- en heuvelregenwoud van de Wet Tropics, met een zwaartepunt tussen ruwweg driehonderd en vijftienhonderd meter hoogte. De soort houdt van gesloten, vochtig bos met een rijke ondergroei en foerageert vooral in de middelste en lagere lagen: ze plukt insecten, spinnen en kleine gewervelden van stammen, takken, ranken en bladeren, en zoekt ook in epifyten en bladclusters. Aan de rand van het regenwoud dringt ze een eindje het aangrenzende natte eucalyptusbos in, maar het gesloten bos blijft de kern. In droog bos en open bos ontbreekt ze.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in de Wet Tropics van Noordoost-Queensland, een smalle strook bergbos tussen ruwweg Cooktown in het noorden en Paluma ten noorden van Townsville in het zuiden. De bekendste plekken liggen op en rond de Atherton Tableland, met daarnaast Mount Lewis, de Bellenden Ker- en Carbine-massieven en het bos rond Paluma. Het totale verspreidingsgebied is klein en bovendien verdeeld over afzonderlijke bergmassieven die door laag, droger land van elkaar gescheiden zijn. Er is geen trek; de vogels blijven het hele jaar in hetzelfde bos, al zakken enkele in de winter iets lager af.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Werk met het geluid. Loop langzaam langs een bospad of een weg door regenwoud boven de zeshonderd meter — de Mount Lewis Road en de bossen bij Paluma zijn klassiek — en wacht tot de heldere fluitstoten klinken; de vogel zelf zit vaak stil en tegen het licht in de middenlaag. Let bij het zien op de zware, donkere snavel en op de fijne streping op de borst, en noteer de hoogte waarop je staat: dat gegeven scheidt deze soort in de praktijk sneller van de arafuralijsterdikkop dan welk verenkleedkenmerk ook.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU). Het hele wereldareaal van de soort bestaat uit één klein, versnipperd bergbosgebied in Noordoost-Queensland; er is geen tweede populatie elders die een tegenslag kan opvangen. Juist die extreme beperking maakt de vogel gevoelig voor klimaatverandering: het bos dat hij bewoont is gebonden aan koele, vochtige hoogten, en naarmate die zone hoger op de bergen komt te liggen, wordt zij kleiner en raakt zij verder versnipperd over losse toppen. Het bos zelf is grotendeels beschermd als werelderfgoed en wordt niet meer grootschalig gekapt, zodat houtwinning niet langer de hoofdbedreiging is; de bedreiging is nu vooral klimatologisch en daarmee lastiger te keren. Over de omvang van de populatie en over hoe snel zij verandert, is nog weinig hards bekend.

Wetenschappelijke naam

Colluricincla boweri | Ramsay, 1885

Edward Pierson Ramsay beschreef de soort in 1885 onder de naam Collyriocincla boweri, naar materiaal uit Cairns. Het geslacht Colluricincla werd in 1827 ingevoerd door Nicholas Vigors en Thomas Horsfield en zet twee vogelnamen achter elkaar: het Latijnse collurio voor klauwier en cinclus voor een lijsterachtige vogel, precies de dubbele gedachte die ook in het Nederlandse 'lijsterdikkop' en het Engelse Shrikethrush zit. Het epitheton boweri eert de Engelse verzamelaar naar wie ook de Engelse naam Bower's Shrikethrush verwijst. De Nederlandse naam grijsruglijsterdikkop kiest het verenkleedkenmerk dat de soort van haar naaste verwant scheidt, de grijze in plaats van roodbruine rug; de Spaanse naam picanzo de Bower volgt het Engels.