Alle soortenZangvogelsDikkoppen › Grijze lijsterdikkop

Grijze lijsterdikkop | Colluricincla harmonica

Grey Shrikethrush | Picanzo gris

De grijze lijsterdikkop is een onopvallende grijze vogel met een van de mooiste stemmen van Australië: rijke, rollende fluitzinnen die van bos tot bos verschillen. Hij is overal, van de Tasmaanse regenwouden tot de mulga en de achtertuin, en hij is tammer dan zijn familie doet vermoeden — hij komt vaak op enkele meters afstand kijken wie er in zijn territorium staat.

Grijze lijsterdikkop (Colluricincla harmonica)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, warme reeks fluittonen met een sterk rollende r erin, pip-pip-pip-hoeíe of poer-poer-poer-kwie-joe, per streek anders van vorm maar altijd rond en resonant. Daarnaast een scherpe, bijna kwaad klinkende roep die als jorrick op papier is gezet. Paren zingen het jaar rond, ook midden op de dag, en het vrouwtje zingt bijna even veel als het mannetje.

Luister: RoepXC331182

Opname: Yvonne Phillips — CC BY-SA 4.0 · Woondum National Park, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een stevige, kortpotige zangvogel van 22 tot 25 centimeter met een grote kop en een rechte, aan de punt licht gehaakte snavel. De vogel is grijs van boven, in het noorden en westen bruiner van rug, en lichtgrijs tot vuilwit van onder. Het mannetje heeft een witte teugel en een zwarte snavel, het vrouwtje een fijn gestreepte borst en een grijzige snavel. Jonge vogels tonen roestbruine randen aan de vleugeldekveren. De houding is rechtop en rustig; hij zit lang stil op één plek.

Verwarrings­soorten

De rotslijsterdikkop (Colluricincla woodwardi) is langer en langstaartiger, kaneelkleurig van onder en gebonden aan zandsteenkliffen. De arafuralijsterdikkop (Colluricincla megarhyncha) is kleiner en roodbruin en zit in het regenwoud van de noordelijke en oostelijke kust. Het vrouwtje van de grijsrugfluiter (Pachycephala rufiventris) is kleiner, ronder en heeft een korter snaveltje. De grijsrugorgelvogel (Cracticus torquatus) zingt eveneens rond en luid, maar is groter en heeft een zware haaksnavel met grijze basis.

Leefgebied

Vrijwel alle beboste terreinen: droog eucalyptusbos en woodland, nat bos, rivierbos langs kreken, mallee, en verder tuinen, parken en boomgaarden waar oude bomen staan. Hij zoekt zijn voedsel op de grond rond omgevallen stammen en langs takken en schors, en heeft daarvoor strooisel en dood hout nodig. Alleen de kaalste woestijn en het gesloten binnenste van het tropisch regenwoud blijven leeg.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Vrijwel geheel Australië behalve de droogste binnenlandse woestijnen, met inbegrip van Tasmanië en de grotere eilanden voor de kust, en daarnaast zuidelijk Nieuw-Guinea en de eilanden in Straat Torres. Vijf ondersoorten verdelen het gebied: de bruinruggige vorm in het noorden, de grijze in het oosten, een donkere vorm op Tasmanië en een roodbuikige in het westen en midden. Standvogel; paren blijven het hele jaar in hetzelfde territorium.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Blijf staan waar je hem hoort en wacht, want hij komt zelf kijken. Zoek hem laag: hij werkt de onderste drie meter van de stammen af en scharrelt tussen omgevallen hout. Voor de zang is de vroege lente, augustus en september, het beste, maar hij is de enige Australische zanger die ook op een hete middag in januari doorgaat. Let op de streping op de borst om vrouwtje van mannetje te scheiden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en over het hele continent algemeen. Rond steden en in de agrarische streken van het westen is hij wel duidelijk afgenomen, omdat hij het strooisel, het dode hout en de dichte onderlaag nodig heeft die daar juist worden opgeruimd. Waar bos wordt versnipperd verdwijnt hij uit de kleinste restanten; grotere blokken houden hem vast. Verwilderde katten en vossen tellen mee, vooral omdat hij veel op de grond loopt.

Wetenschappelijke naam

Colluricincla harmonica | (Latham, 1801)

Latham beschreef de vogel in 1801 als Turdus harmonicus, bij de lijsters; omdat hij later naar een ander geslacht ging staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Colluricincla werd in 1827 ingevoerd door Vigors en Horsfield, uit het Griekse kollurion, een naam voor de klauwier, en cinclus, in de vogelkunde gebruikt voor lijsterachtige vogels. harmonica betekent welluidend en slaat op de zang. De typelocatie ligt in Nieuw-Zuid-Wales.