Alle soorten › Zangvogels › Prieelvogels › Grijsnekprieelvogel

Grijsnekprieelvogel | Chlamydera maculata

Spotted Bowerbird | Pergolero moteado oriental

De grijsnekprieelvogel is de prieelvogel van het oostelijke binnenland: een onopvallende, dicht gevlekte vogel die op de bodem van droog open bos een avenue-prieel bouwt en dat volstouwt met botjes, slakkenhuizen, groen glas en gevonden metaal. Het bouwwerk trekt meer aandacht dan de vogel zelf, en op een enkele boerderij is het jarenlang een vaste bezienswaardigheid.

Grijsnekprieelvogel (Chlamydera maculata)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hard, schrapend repertoire van sissen, knarsen en ratelen bij het prieel, doorspekt met nabootsingen die tot de beste van Australië behoren: andere bosvogels, maar ook hekken die piepen, honden, schapen en menselijke stemmen op afstand. Veel waarnemers herkennen de soort juist daaraan: een reeks geluiden die niet bij elkaar horen, achter elkaar, vanuit één dichte struik. De gewone contactroep is een kort, hees tsjerk.

Luister: RoepXC1090694

Opname: Zebedee Muller — CC BY-NC-SA 4.0 · Weethalle, Bland Shire Council, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een grijsbruine vogel van 27 tot 31 centimeter met een dicht patroon van grote, geelbruine tot roomkleurige vlekken over mantel, schouders en vleugeldekveren, zodat de bovenzijde geschubd oogt. De onderdelen zijn bleek beige, nauwelijks getekend. De kruin is donkerbruin met lichte spikkels. Op de nek ligt een kraag van lila-roze verlengde veren die bij beide geslachten voorkomt maar bij het mannetje groter is en bij de vertoning als een waaier wordt opgezet; in rust ligt hij verborgen en lijkt de nek gewoon grijs. De staart is lang en vierkant, de snavel donker en stevig.

Verwarrings­soorten

De gevlekte prieelvogel (Chlamydera guttata) is de nauwste verwant: kleiner, korter van staart, donkerder van grondkleur en met kleinere, roodbruinere vlekken en een duidelijk gegolfde onderzijde. De twee komen nergens samen voor, want tussen het oostelijke binnenland en de centrale bergketens ligt een brede lege strook. De grijze prieelvogel (Chlamydera nuchalis) is duidelijk groter en langer van staart, veel egaler grijs en vrijwel ongevlekt; het areaal grenst in centraal Queensland aan dat van deze soort en daar is verwarring wel mogelijk. Jonge vogels zonder nekkraag zijn het lastigst en worden dan het best op grootte en op de grofte van de vlekken beoordeeld.

Leefgebied

Droog eucalyptusbos en open bos van het binnenland, brigalow (dicht acaciabos van binnenlands Queensland), casuarina- en cipresbos en de mulgaranden (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura), en vooral het rivierbos langs kreken, waar water en schaduw samenkomen. Prieelplaatsen liggen in dichte struikpartijen, vaak in verwilderde bosjes rond veehouderijen en aan de rand van landelijke plaatsen, waar de vogel ook zijn versiering vandaan haalt: scherven, doppen, spijkers en stukken folie.

Verspreiding en trek

Het binnenland van oostelijk Australië, van het noorden van Queensland door het westen van Nieuw-Zuid-Wales tot in het noorden van Victoria. In de kern van het areaal, het Queenslandse binnenland, is de soort algemeen; naar het zuiden toe is zij sterk teruggelopen en aan de zuidrand vrijwel verdwenen. Standvogel, met een vaste prieelplaats waaromheen het mannetje het hele jaar blijft.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in het binnenland langs kreekbossen en houd stil waar het struweel dicht staat; zoek op de bodem naar het prieel en naar de opvallend lichte, opgeruimde vloer eromheen. Kijk naar het uitgestalde gerei: deze soort verzamelt meer botjes en glas dan groene vruchten. Wie de lila nekkraag wil zien moet geluk hebben en geduld: die wordt alleen bij de vertoning opgezet, meestal kort na zonsopgang in de lente.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar het beeld loopt binnen Australië sterk uiteen. In het zuiden van het areaal is de soort in de twintigste eeuw ingestort: in Victoria wordt zij als regionaal uitgestorven of vrijwel verdwenen beschouwd en in het zuiden van Nieuw-Zuid-Wales is zij zeldzaam geworden. Als oorzaken gelden het verdwijnen van de struiklaag door begrazing, het rooien van kreekbossen en vervolging als fruitdief in boomgaarden. Behoud van dichte ondergroei langs kreken is de sleutel.

Wetenschappelijke naam

Chlamydera maculata | (Gould, 1837)

Gould beschreef de soort in 1837 als Calodera maculata, met als typelocatie de Liverpool Plains in Nieuw-Zuid-Wales; omdat zij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Chlamydera komt van het Griekse chlamys, 'mantel', en dere, 'hals', naar de nekkraag; maculata is Latijn voor 'gevlekt'. De Engelse naam vertaalt dat laatste, maar de Nederlandse naam kiest juist de nek als kenmerk — verwarrend genoeg heet de westelijke soort in het Nederlands 'gevlekte prieelvogel'.