Alle soortenZangvogelsPrieelvogels › Gevlekte prieelvogel

Gevlekte prieelvogel | Chlamydera guttata

Western Bowerbird | Pergolero moteado occidental

In de rode kloven van Centraal-Australië bouwt deze prieelvogel zijn baltsbouwwerk: twee wandjes van rechtopstaande takjes met een looppad ertussen, en aan weerszijden een uitgestalde verzameling van botjes, slakkenhuizen, groene vruchten, glas en alles wat glimt. Het prieel is geen nest — het is een toneel, en het vrouwtje komt kijken en verdwijnt daarna om elders alleen te broeden.

Gevlekte prieelvogel (Chlamydera guttata)
Foto: Christopher Watson ( http://www.comebirdwatching.blogspot.com/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schor, knarsend en sissend repertoire, uitgestoten bij het prieel: ratelend gesis, harde klikken en een hoog, knerpend gepiep. Daartussen staat de soort bekend als een uitmuntend nabootser, die met verbluffende nauwkeurigheid andere vogels van de kloven overneemt, maar ook blaffende honden, geiten en het gekrijs van roofvogels. De nabootsing is luid en wordt vanaf een dekking bij het prieel gebracht, zodat de vogel zelf onzichtbaar blijft.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grijsbruine vogel van 24 tot 28 centimeter, over de hele bovenzijde dicht bezaaid met ronde, warm roodbruin tot okerkleurige vlekken die als een dakpanpatroon over de mantel en de vleugeldekveren liggen. De onderdelen zijn grijsbeige met fijne donkere golving; de kruin is donker en gevlekt. Op de nek dragen vooral de mannetjes een verborgen kraagje van lila-roze verlengde veren, dat pas bij de vertoning wordt opgezet en verder onder het grijs wegvalt. De snavel is stevig en donker, de staart vierkant afgesneden. Man en vrouw lijken sterk op elkaar; het vrouwtje heeft een kleinere of ontbrekende nekkraag.

Verwarrings­soorten

De grijsnekprieelvogel (Chlamydera maculata) is de naaste verwant en lijkt sterk, maar is groter en langer van staart, bleker en zandkleuriger, met grotere en meer geelbruine vlekken en veel minder golving op de onderdelen. Doorslaggevend is het areaal: de gevlekte prieelvogel houdt de bergketens van het binnenland en het westen bezet, de grijsnekprieelvogel het oostelijke binnenland, en tussen beide ligt een gat van honderden kilometers. De grijze prieelvogel (Chlamydera nuchalis) van het noorden is fors groter, veel egaler grijs en nauwelijks gevlekt. Vrouwtjes van de satijnblauwe prieelvogel (Ptilonorhynchus violaceus) zijn groen en komen hier niet voor.

Leefgebied

Rotsige kloven, breukranden en puinhellingen met rotsvijgen (Ficus), het hart van het leefgebied, en van daaruit het omringende acaciastruweel en mulga, en het rivierbos van droge kreekbeddingen met eucalyptus. Water in een rotsbekken of een permanente poel is vrijwel altijd in de buurt. In Alice Springs en op afgelegen veehouderijen komt de vogel tot in de tuinen, waar hij vruchten uit boomgaarden haalt en zijn prieel in een windsingel zet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Twee gescheiden gebieden in het droge binnenland. In het midden van het continent de MacDonnell Ranges en de omliggende ketens van het Noordelijk Territorium en het noorden van Zuid-Australië; daarnaast, ruim duizend kilometer naar het westen, de Pilbara en het Gascoyne-achterland van West-Australië. Daartussen ligt zandwoestijn waar de soort ontbreekt. Standvogel: de prieelplaatsen liggen vast en worden jaar na jaar gebruikt.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek het prieel, niet de vogel. Loop een kloof met vijgen af en let op de bodem onder dichte struiken: een looppaadje van twintig tot dertig centimeter tussen twee takkenwandjes, met aan het eind een hoopje groene besjes, witte botjes en scherven. Ga er op afstand bij zitten; het mannetje komt vrijwel elke ochtend terug om te schikken. Een reeks vreemde, uit de toon vallende vogelgeluiden achter elkaar uit hetzelfde struikje is vrijwel altijd deze soort die zit na te bootsen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), maar het areaal is van nature in eilandjes verdeeld: elke bergketen in het binnenland draagt een eigen populatie, en tussen die ketens ligt ongeschikt land. De vogel is daardoor gevoelig voor wat er in zo'n kloof gebeurt. De zwaarste druk komt van de vervanging van de inheemse ondergroei door buffelgras, dat heter brandt dan het inheemse gras en de rotsvijgen en het struweel in de kloven wegbrandt. Verwilderde katten in de kloofbodems zijn een tweede zorg.

Wetenschappelijke naam

Chlamydera guttata | Gould, 1862

Gould beschreef de soort in 1862, met als typelocatie noordwest-Australië, waarschijnlijk de bovenloop van de Fortescue River; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want het geslacht is sindsdien niet veranderd. Chlamydera is gevormd uit het Griekse chlamys, 'mantel' of 'krijgsmantel', en dere, 'hals', naar de kraag van verlengde nekveren die bij de vertoning wordt opgezet. guttata is Latijn voor 'druppelvormig gevlekt', naar het vlekkenpatroon op de bovenzijde, en de Nederlandse naam volgt dat; de Engelse naam wijst op het westelijke areaal.