Alle soortenZangvogelsDoornsnavels en verwanten › Grijsrugdoornsnavel

Grijsrugdoornsnavel | Acanthiza robustirostris

Slaty-backed Thornbill | Acantiza pizarrosa

De grijsrugdoornsnavel is de doornsnavel van de mulga, en de enige van het geslacht met een werkelijk leigrijze bovenzijde. In een familie waarin bijna alles bruin is, is dat een geschenk: waar vier soorten met een roodbruine stuit elkaar in het droge binnenland overlappen, is dit de enige die u op de rugkleur alleen al thuis kunt brengen.

Geluid

Een dun, ratelend gekwetter, afgewisseld met een heldere, spoelende triller die de vogel vanuit een lage tak laat horen. Het geluid draagt niet ver en gaat in een mulgastruweel met wind gemakkelijk verloren. Zoals bij zoveel soorten van het binnenland is het zwijgzame gedrag buiten de broedtijd de grootste hindernis: een paartje kan een half uur lang geluidloos door de takken werken.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Negen tot tien centimeter, met een leigrijze kruin, nek en rug — het kenmerk waarop alles draait — en donkergrijze vleugels en staart met een smalle lichte eindzoom. Het voorhoofd draagt een zwart-op-grijze streping, de wang is witachtig met grijze spikkels, de stuit is kaneel- tot kastanjebruin. De iris is roodbruin. De onderdelen zijn effen crèmewit van keel tot onderstaartdekveren, zonder enige streping, en dat ontbreken van streping is samen met de grijze rug het tweede sleutelkenmerk. De snavel is naar verhouding zwaar; het epitheton verwijst daarnaar.

Verwarrings­soorten

Dit is een van de vier binnenlandse doornsnavels met een rossige stuit en zij moeten stuk voor stuk worden uitgesloten. De roodstuitdoornsnavel (Acanthiza apicalis) heeft dezelfde roodbruine iris en een roodbruine stuit, maar bruingrijze in plaats van leigrijze bovendelen, een duidelijke donkere streping op keel en borst en een langere, vaak opgewipte staart. De roodstaartdoornsnavel (Acanthiza uropygialis) heeft een witte tot crèmekleurige iris en een helderder kastanjebruine stuit op een bleek grijsbruine rug. De mulgadoornsnavel (Acanthiza iredalei) heeft een bleekgele iris, slechts een olijfgele zweem bij de staartbasis en leeft in kale samphire- en chenopodenvlakten in plaats van in mulga. De bruine doornsnavel (Acanthiza pusilla) komt in dit leefgebied niet voor. Wie in mulga een doornsnavel met een grijze rug en een ongestreepte borst ziet, hoeft niet verder te zoeken.

Leefgebied

Halfwoestijn tot woestijn van het binnenland, vrijwel altijd gebonden aan mulga en ander acaciastruweel, plaatselijk ook aan de saltbush- en bluebushvlakten die daaraan grenzen. De vogel foerageert laag in de takken en het gebladerte van de struiken, zelden op de grond, en leeft van kleine insecten en spinnen. Hij wordt meestal alleen of in paren aangetroffen, veel minder in troepen dan de meeste verwanten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in het droge hart van Australië: van centraal binnenland West-Australië oostwaarts door het zuiden van het Noordelijk Territorium en Zuid-Australië tot aan de westzijde van Lake Eyre, met uitlopers noordwaarts tot in het westen van Queensland. Het areaal volgt vrij nauwkeurig de verspreiding van de mulga. De soort is standvogel, maar kan plaatselijk verschuiven als droogte het struweel te kaal maakt.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek langs de randen van mulgastruweel en in de laagten waar de acacia's het dichtst staan, en werk daar langzaam. Krijgt u een doornsnavel in beeld, bekijk dan eerst de borst: gestreept betekent roodstuitdoornsnavel, effen crème betekent deze soort of de roodstaartdoornsnavel. Kijk pas daarna naar het oog: roodbruin hier, wit bij de roodstaartdoornsnavel. De grijze rug bevestigt het, maar is bij fel woestijnlicht bedrieglijk bleek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is nergens talrijk maar over een zeer groot gebied verspreid, en het leefgebied ligt grotendeels buiten de intensief gebruikte landbouwzones. Waar mulga op grote schaal is gerooid of door overbegrazing en te frequente branden niet meer verjongt, verdwijnt de vogel mee; kamelen, geiten en konijnen dragen plaatselijk aan die achteruitgang bij. Omdat de soort weinig wordt onderzocht, is over trends binnen het areaal weinig met zekerheid bekend.

Wetenschappelijke naam

Acanthiza robustirostris | Milligan, 1903

Alexander William Milligan beschreef de soort in 1903. Het epitheton robustirostris is samengesteld uit het Latijnse robustus ('stevig') en rostrum ('snavel') en wijst op de voor een doornsnavel opvallend zware snavel; in oudere literatuur staat de soort daarom ook wel in het ondergeslacht Milligania, naar de beschrijver. De Engelse naam Slaty-backed Thornbill en de Nederlandse naam grijsrugdoornsnavel kiezen de leigrijze rug, net als de Spaanse naam acantiza pizarrosa.