Alle soorten › Zangvogels › Dikkoppen › Grijsrugfluiter
Grijsrugfluiter | Pachycephala rufiventris
Rufous Whistler | Silbador rufo
De grijsrugfluiter is de luidruchtigste fluiter van Australië en een van de meest gehoorde vogels van het droge open bos: een slanke vogel met een grijze rug, een witte keel, een smalle zwarte borstband en een warm roestrode buik. De zang is explosief en aanstekelijk, en anders dan de meeste familieleden is deze soort een echte trekker: een groot deel van de zuidelijke broedvogels verlaat in de winter het zuiden en keert in het voorjaar terug.
Geluid
Een van de krachtigste stemmen van het Australische bos, volkomen uit verhouding met de grootte van de vogel. Het bekendste motief is een snel, ritmisch herhaald 'joee-joee-joee', gevolgd door een luid en opzwepend 'ie-TSJONG!' dat als een zweepslag eindigt. De vogel zingt vanaf een open tak, vaak minutenlang achtereen, en reageert — net als de gouden fluiter — op harde geluiden: onweer en handgeklap lokken direct antwoord uit. In de vroege lente kan één mannetje een heel bosperceel domineren.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke fluiter van zestien tot achttien centimeter, ranker en langer van staart dan de gouden fluiter en met een lichtere snavel. Het mannetje is grijs op kop en rug, met een scherp afgetekende witte keel, daaronder een smalle maar duidelijke zwarte borstband, en vanaf die band naar beneden warm roestrood tot kaneelkleurig over borst, buik en flanken. Het vrouwtje is volkomen anders van patroon: grijsbruin boven, en onder wit met een dichte, fijne donkere streping over keel, borst en flanken, met een roestige aanslag op buik en onderstaartdekveren. Die streping is bij het vrouwtje het sleutelkenmerk, want zij is bij geen enkele andere Australische fluiter zo uitgesproken.
Verwarringssoorten
De krabbenfluiter (Pachycephala lanioides) heeft hetzelfde patroon van witte keel en zwarte borstband, maar is fors zwaarder, heeft een enorme snavel, is wit in plaats van roestrood op de buik en zit uitsluitend in mangrove. De roodteugelfluiter (Pachycephala rufogularis) draagt juist géén zwarte borstband en heeft de roestkleur op de keel en de teugels in plaats van op de buik. De zwartteugelfluiter (Pachycephala inornata) mist eveneens de zwarte band en is onder egaal grijs. Bij het vrouwtje is de verwarring groter: het vrouwtje van de gouden fluiter (Pachycephala pectoralis) is veel vager gestreept en forser van snavel, het vrouwtje van de bruine fluiter (Pachycephala olivacea) heeft een fijn geschubde witte keel en effen okerkleurige onderdelen, en de grauwe fluiter (Pachycephala simplex) is kleiner en in het geheel niet gestreept.
Leefgebied
Droog, open eucalyptusbos en woodland, rivierbos langs kreken, mallee, mulga en acaciastruweel, en ook ruim beplante tuinen, parken en boomstroken in landbouwgebied. De vogel foerageert in de middenlaag en het kronendak, plukt rupsen en kevers van blad en schors en vangt geregeld insecten in de vlucht. Dichte, gesloten regenwouden worden gemeden — dit is de fluiter van het open, zonnige bos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Bijna heel Australië, met uitzondering van de zandwoestijnen van het binnenland en van Tasmanië, waar de soort alleen als zeldzame dwaalgast verschijnt; daarbuiten leeft een eigen ondersoort op Nieuw-Caledonië. In het zuidoosten en zuidwesten is de vogel voor een groot deel zomergast: hij arriveert in augustus en september, broedt, en verlaat in maart en april het zuiden om noordwaarts en landinwaarts te overwinteren. In het noorden en in het binnenland blijven vogels het hele jaar. Beide tags gelden dus, elk voor een ander deel van het areaal.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Dit is een soort die je met het gehoor vindt en met het oog bevestigt. Loop in oktober of november door droog woodland en wacht op het explosieve 'ie-TSJONG'; het mannetje zingt doorgaans vanaf een vrije tak halverwege de boom, dus kijk niet in het kronendak maar op ooghoogte tot een paar meter daarboven. Voor het vrouwtje geldt één vraag: zijn de onderdelen duidelijk gestreept? Zo ja, dan is de determinatie rond.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort is wijdverbreid en in het grootste deel van haar areaal algemeen. In de dichtbevolkte landbouwstreken van het zuidoosten gaat zij echter plaatselijk achteruit, omdat het versnipperde woodland waarin zij foerageert en de struiklaag waarin zij nestelt door beweiding en ontginning verdwijnen. Als trekvogel is zij bovendien afhankelijk van een aaneengesloten keten van bosjes tussen zomer- en wintergebied, en juist die keten is in het zuidoosten het dunst geworden.
Wetenschappelijke naam
Pachycephala rufiventris | (Latham, 1801)
John Latham beschreef de vogel in 1801 als Sylvia rufiventris, naar een exemplaar uit Nieuw-Holland; Gregory Mathews beperkte de type-locatie in 1920 tot Sydney. Het epitheton rufiventris is samengesteld uit het Latijnse rufus ('rood, roestkleurig') en venter ('buik'). Het geslacht Pachycephala werd in 1827 ingevoerd door Nicholas Vigors en Thomas Horsfield, uit het Oudgriekse pakhus ('dik') en kephalē ('kop'). De Engelse naam Rufous Whistler en de Spaanse silbador rufo volgen het Latijn en kiezen de roestrode buik; de Nederlandse naam Grijsrugfluiter kiest als enige het andere uiteinde van de vogel, de grijze rug.




