Alle soorten › Zangvogels › Spitsvogels, orgelvogels en verwanten › Grijsrugorgelvogel
Grijsrugorgelvogel | Cracticus torquatus
Grey Butcherbird | Verdugo acollarado
De grijsrugorgelvogel is een zangvogel met de snavel van een roofvogel: nauwelijks groter dan een merel, maar met een zware, blauwgrijze haaksnavel waarmee hij hagedissen, insecten en jonge vogels vangt. Wat hij niet opeet, klemt hij in een tweesprong of steekt hij aan een doorn — de gewoonte die de hele familie haar Engelse naam bezorgde. En hij zingt schitterend.
Geluid
De zang is een rijk, rollend gefluit met heldere, orgelachtige tonen, vaak in duet: het paar zingt om beurten en zo strak op elkaar dat het één vogel lijkt. Zulke reeksen kunnen kwartierenlang doorgaan, het sterkst bij het eerste licht in de late winter en de lente. Daarnaast klinkt een hard, ratelend scheldgeluid, en de zang bevat af en toe nabootsingen van buren.
Opname: James Ray — CC BY-SA 4.0 · Faulconbridge, Blue Mountains City Council, New South Wales, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een compacte vogel van 24 tot 30 centimeter met een grote kop en een zware, blauwgrijze snavel met zwarte haakpunt. Kop en gezicht zijn zwart, de keel wit, en tussen beide loopt een dunne witte halsband; de rug is grijs, de onderzijde wit, en over de vleugel loopt een lange witte streep. Het oog is donkerbruin, de poten grijs. Het vrouwtje is iets kleiner; jonge vogels zijn olijfbruin waar de oude vogel zwart is.
Verwarringssoorten
De zwartkeelorgelvogel (Cracticus nigrogularis) is groter en scherper zwart-wit, met een zwarte kap die ook de keel bedekt. De zwarte orgelvogel (Melloria quoyi) is geheel zwart met een blauwgrijze snavel en zit in noordelijk regenwoud en mangrove. De zwartrugorgelvogel (C. mentalis) zit alleen op Kaap York. De zwartrugfluitvogel en de klauwierkraaien zijn veel groter, met een geel oog of een witte rug.
Leefgebied
Droog eucalyptusbos en open woodland zijn de kern, met mallee, casuarina- en callitrisbos en acaciastruweel erbij. Hij heeft een uitkijkpost nodig — een dode tak, een paal, een draad — met daaronder open grond of lage begroeiing waarop hij zich laat vallen. Tuinen, parken en dorpsranden met grote bomen neemt hij zonder aarzeling in gebruik, en daar wordt hij verrassend tam.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het grootste deel van Australië behalve het uiterste noorden en de kale woestijnen: van middenoostelijk Queensland door Nieuw-Zuid-Wales, Victoria, Tasmanië en Zuid-Australië tot in het zuidwesten. De zilverrugvogels van Arnhemland en het noordwesten worden in AviList als aparte soort Cracticus argenteus gevoerd, zodat het gebied van deze soort in het noorden ophoudt. Trekken doet hij niet; een paar houdt jarenlang hetzelfde territorium.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga vanaf augustus bij het eerste licht in een tuin of langs een bosrand staan en wacht op het duet; de zang is het snelste en zekerste kenmerk. Zoek daarna de vogel op een uitstekende dode tak met vrij uitzicht. Kijk op prikkeldraad, doornstruiken en boomvorken naar een voorraadkast: een gekko, een sprinkhaan of een jonge vogel die is vastgeklemd voor later.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort is verbreid en talrijk, en heeft zich goed aangepast aan tuinen en dorpsranden, waar ze van bijgevoerd voedsel en van de dekking van sierstruiken profiteert. Waar het droge woodland grootschalig is opgeruimd of waar te veel bomen met dode takken zijn weggehaald, verdwijnen de uitkijkposten en daarmee de vogel; katten kosten plaatselijk jonge vogels.
Wetenschappelijke naam
Cracticus torquatus | (Latham, 1801)
Latham beschreef de soort in 1801 als Lanius torquatus, bij de klauwieren — sommige lijsten dateren het werk op 1802 — en door de verhuizing staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cracticus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, naar het Griekse kraktikos, 'luidruchtig, schreeuwerig'. torquatus is Latijn voor 'met een halsband', naar de witte band in de nek.



