Alle soortenZangvogelsSpitsvogels, orgelvogels en verwanten › Zwartrugfluitvogel

Zwartrugfluitvogel | Gymnorhina tibicen

Australian Magpie | Verdugo flautista

De Zwartrugfluitvogel is zwart-wit, loopt rechtop over gazons en grasvelden en zingt een van de ingewikkeldste liederen van de vogelwereld. Hij is geen kraai en geen ekster in de Europese zin: hij hoort bij de Artamidae, een Australische familie die met de kraaien niets van doen heeft.

Zwartrugfluitvogel (Gymnorhina tibicen)
Foto: Toby Hudson — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het bekendste geluid is het carollen: een reeks heldere, fluitachtige klokkende noten die een paar of een hele groep samen uitvoert, waarbij de een begint en de anderen invallen, in de vroege ochtend en de late schemering. Daarnaast een lang, zacht gemompeld onderlied met nabootsing van andere vogels, urenlang volgehouden en alleen van dichtbij te horen. Bij een indringer klinkt een hard, hakkend tsjak.

Luister: ZangXC1054235

Opname: craig wilson — CC BY 4.0 · Birchfield, Buller District, West Coast Region, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Zevenendertig tot drieënveertig centimeter, met een zware blauwwitte snavel met zwarte punt, een roodbruine iris en lange poten waarop hij rechtop loopt. Het mannetje heeft een zuiver witte nek, witte stuit en witte schouders; bij het vrouwtje zijn nek en mantel grijs gemarmerd. De rest is zwart, behalve dat in het zuidoosten, het midden, het uiterste zuidwesten en Tasmanië ook rug en stuit wit zijn: de witruggige vormen tegenover de zwartruggige elders. Jonge vogels zijn dof grijsbruin gevlekt, met donkere snavel.

Verwarrings­soorten

De bonte zwerfvogel (Strepera graculina) is groter en geheel zwart met witte vlekken in vleugel en staart, heeft een gele iris en een geheel zwarte, gehaakte snavel. De bonte orgelvogel (Cracticus nigrogularis) is kleiner, heeft een volledig zwarte kop met een witte kraag en zit in bomen in plaats van op het gras. De kleinste kandidaat is de eksterleeuwerik (Grallina cyanoleuca): nauwelijks half zo groot, met een spitse witte snavel, een bleke iris en een fijn pee-wie.

Leefgebied

Overal waar bomen en kort gras naast elkaar liggen: weiland, sportvelden, parken, bermen, tuinen en de randen van dorpen en steden, en in het noorden de open eucalyptussavanne. Hij heeft bomen nodig om in te nestelen en te slapen en open, kort begroeide grond om op te foerageren; het een zonder het ander werkt niet. Dicht bos en de kale zandwoestijnen van het binnenland mijdt hij.

Verspreiding en trek

Vrijwel heel Australië behalve het dichtste bos en de droogste woestijn, en heel Tasmanië. Standvogel in de strengste zin: een groep van twee tot een stuk of tien vogels houdt jarenlang hetzelfde terrein bezet en verdedigt het tegen de buren. Tussen 1864 en 1874 zijn meer dan duizend vogels naar Nieuw-Zeeland gebracht, waar hij zich over beide hoofdeilanden heeft gevestigd. Omdat hij in Australië inheems is, staat hij in deze gids niet als exoot aangemerkt; de Nieuw-Zeelandse vogels zijn wel uitgezet en gelden daar als schadelijk.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga tussen de eerste schemering en zonsopgang naar een grasveld met oude eucalypten en luister: het carollen van een groep draagt honderden meters. Let bij elke vogel op de nek — zuiver wit bij het mannetje, grijs gemarmerd bij het vrouwtje — en op de rug, die de vorm van uw streek verraadt. In het voorjaar, van augustus tot november, duikt een klein deel van de mannetjes op voorbijgangers; hij valt van achteren aan.

Staat van instandhouding

Talrijk, wijdverbreid en stabiel tot toenemend; hij hoort bij de vogels die van weiland, parken en gazons hebben geprofiteerd. Verkeer, vergiftiging via slakkenkorrels en het verdwijnen van oude nestbomen zijn plaatselijke oorzaken van verlies. In Nieuw-Zeeland is hij lang bestreden omdat hij inheemse vogels zou verdrijven; onderzoek heeft dat beeld voor het grootste deel niet bevestigd.

Wetenschappelijke naam

Gymnorhina tibicen | (Latham, 1801)

Latham beschreef de soort in 1801 als Coracias tibicen, bij de scharrelaars; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gray voerde het geslacht Gymnorhina in 1840 in, uit Grieks gymnos (naakt) en rhis (neus), naar de onbevederde neusgaten. tibicen is Latijn voor 'fluitspeler', naar de zang. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales. Een deel van de literatuur plaatst de soort in Cracticus; deze gids volgt AviList, dat Gymnorhina aanhoudt.