Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Harlekijngrassluiper
Harlekijngrassluiper | Amytornis barbatus
Grey Grasswren | Maluro gris
De harlekijngrassluiper is een bleke, grijsbruine, zeer langstaartige vogel met een zwart-wit getekend gezicht, die niet in spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) of op rots leeft maar in de lignummoerassen op de overstromingsvlakten van het binnenland. Hij werd pas in 1968 beschreven en is daarmee een van de laatst ontdekte vogels van het Australische vasteland.
Geluid
Een hoog, dun en enigszins krassend babbelen, minder muzikaal en minder ratelend dan het liedje van de spinifexgrassluipers, doorgaans uit het hart van een lignumstruik. Het contactgeluid is een fijn tsip waarmee de vogels van een groepje elkaar in de dichte struik in de gaten houden. Bij onraad klinkt een droog ratelen. Omdat hij zelden uit de struik komt, is dat geluid vaak het enige wat je van hem krijgt te merken.
Opname: Louis Masarei — CC BY-NC-SA 4.0 · Goyder Lagoon, Australia · xeno-canto
Herkenning
Achttien tot twintig centimeter, waarvan de staart meer dan de helft — een opvallend lange, slanke, vaak licht gespreide staart die rennend omhoog wordt gedragen. Het gezicht beslist de determinatie: een wit voorhoofd en witte wangen, omlijst door zwarte strepen die van de snavelbasis over het oog en langs de keel lopen, met een zwart-wit gestreepte kruin daarboven. Vandaar de Nederlandse naam. De bovendelen zijn grijsbruin met witte schachtstrepen, de onderdelen wit. Het is een bleke vogel, zonder de warme roestkleur van de verwanten.
Verwarringssoorten
In de praktijk nauwelijks te verwarren: geen andere grassluiper draagt dit zwart-witte gezichtsmasker, en geen andere grassluiper leeft in lignum. De eyremeergrassluiper (Amytornis goyderi) komt in dezelfde hoek van het continent voor maar zit op de kale duinkammen, is veel kleiner en korter van staart, is warm zandkleurig in plaats van grijs en heeft een dikke bleke snavel en een effen gezicht. De westelijke grassluiper (Amytornis textilis) is eveneens vaal en langstaartig, maar mist het gezichtsmasker volledig en leeft in acacia- en zoutstruweel, ver naar het westen. Een grijze, langstaartige grassluiper met zwart-wit gestreepte kop in een lignummoeras is deze soort.
Leefgebied
Dichte, oude lignumstruwelen (Duma florulenta) en rietgras op de overstromingsvlakten en in de overloopgebieden van de binnenlandrivieren, vaak in kommen die maar eens in de zoveel jaar volstaan met water uit Queensland. Het struweel moet hoog en gesloten zijn; open, uitgedunde lignum wordt niet bewoond. Hij beweegt zich vrijwel uitsluitend binnen de struik, loopt over de bodem eronder en vliegt zelden meer dan een paar meter. Het nest staat laag in een lignumstruik. Na een grote vulling van de vlakten nemen de aantallen toe.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Twee gescheiden gebieden in het droge binnenland. In het oosten de overloopvlakte van de Bulloo op de grens van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales, met de typelocatie Teurika in het noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales. In het westen de vlakten van de Diamantina en Eyre Creek en Goyder Lagoon, op de grens van Queensland en Zuid-Australië; die westelijke vogels worden als aparte ondersoort onderscheiden. Tussen beide gebieden ligt ongeschikt land. Standvogel, maar plaatselijk sterk afhankelijk van de overstromingscyclus.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek een lignumvlakte waar de struiken manshoog en gesloten staan — de bekendste plekken liggen rond Goyder Lagoon en in de Bulloo-overloop — en loop er in het eerste uur na zonsopkomst langs de rand van. Blijf staan en luister; de vogels verraden zich met fijne contactroepjes voordat je ze ziet. Soms klimt een vogel even tot in de top van een struik. Reken op een lange, natte of juist stoffige rit: dit is een van de moeilijkst bereikbare vogels van Australië.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de niet bedreigde vogels (LC). Dat oordeel steunt op een areaal dat weliswaar klein en in twee stukken verdeeld is, maar in landschap ligt dat voor vrijwel niets anders bruikbaar is. De kwetsbaarheid zit in de waterhuishouding: de lignumvlakten bestaan bij de gratie van het water dat via Cooper Creek, de Diamantina en de Bulloo uit Queensland komt, en elke onttrekking of afdamming stroomopwaarts tast het leefgebied aan. Daarnaast vreten vee en verwilderde varkens de lignum uit, en zijn grote branden in droge jaren een reëel gevaar. In Nieuw-Zuid-Wales en Queensland geldt de soort in eigen wetgeving als bedreigd, strenger dus dan het wereldwijde oordeel.
Wetenschappelijke naam
Amytornis barbatus | Favaloro & McEvey, 1968
Norman Favaloro en Allan McEvey beschreven de vogel in 1968, naar materiaal van Teurika in het noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales — een opmerkelijk late ontdekking voor een vogel van het Australische vasteland. Het epitheton barbatus is Latijn voor 'gebaard' en slaat op de zwarte strepen die als een baard langs de witte keel lopen. Het geslacht heette eerst Amytis, naar een Perzische vorstin; omdat die naam al vergeven was, stelde Leonhard Stejneger in 1885 Amytornis voor, met het Griekse ornis (vogel). De Nederlandse naam vergelijkt dat zwart-witte gezicht met het geschminkte gezicht van een harlekijn; de Engelse naam Grey Grasswren noemt in plaats daarvan de bleke, grijze grondkleur.

