Alle soortenZangvogelsElfjes › Kalkadoongrassluiper

Kalkadoongrassluiper | Amytornis ballarae

Kalkadoon Grasswren | Maluro kalkadoon

De kalkadoongrassluiper is de grassluiper van de Selwyn Range bij Mount Isa in het noordwesten van Queensland, en hij komt nergens anders voor. Hij is een recente afsplitsing: Condon beschreef hem in 1969 als ondersoort en pas veel later is hij als eigen soort erkend, nadat verenkleed, maten en verwantschapsonderzoek hem van zijn naaste verwanten scheidden. Zijn areaal is een van de kleinste van alle grassluipers.

Kalkadoongrassluiper (Amytornis ballarae)
Foto: Kym Nicolson — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, dun en snel ratelend liedje van enkele seconden, gezongen vanaf een spinifexpol of een steenblok op de helling. Het contactgeluid is een fijn, scherp tsip; bij onraad droge tjek-noten terwijl de vogels tussen de stenen wegrennen. Het geluid ligt hoog en wordt in de warme, trillende lucht boven de rotshellingen gemakkelijk gemist. In dit terrein, waar de vogel dun gezaaid is, is de zang meestal het eerste en vaak het enige teken.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Vijftien tot zestien centimeter, waarvan de staart ongeveer de helft; de staart is kort voor een grassluiper en wordt rennend omhoog gehouden. Het verenkleed is donker roodbruin met fijne, vage witte schachtstrepen op kruin, mantel en borst — duidelijk minder scherp getekend dan bij de soorten van de striatus-groep. De keel is grijswit en niet scherp afgezet, en een zware zwarte baardstreep ontbreekt. Het vrouwtje heeft roestbruine flanken. De snavel is fijn en donker, de poten lang.

Verwarrings­soorten

Met de bruine grassluiper (Amytornis purnelli) is deze soort in het veld eerlijk gezegd niet te onderscheiden: beide zijn donker, zwak gestreept en kortstaartig, en het enige praktische criterium is verspreiding — purnelli zit in het Centrale Bergland, ruim duizend kilometer naar het zuidwesten. De maten in AVONET laten wel een iets kortere staart zien, maar dat verschil is met een kijker niet te gebruiken. Dorothy's grassluiper (Amytornis dorotheae) is de soort die wél in de buurt komt: zijn areaal nadert dat van deze vogel in het noordwesten van Queensland, maar hij is duidelijk feller kastanjebruin, veel scherper gestreept en draagt een helderwitte keel met een zware zwarte baardstreep. De kortstaartgrassluiper (Amytornis merrotsyi) heeft eveneens een korte staart maar zit in Zuid-Australië en heeft wél dat scherpe keelpatroon.

Leefgebied

Oude, dichte spinifexpollen (Triodia) op steile, met steenpuin bedekte hellingen en rotsruggen van de Selwyn Range en aangrenzende ranges, vaak op de gebroken kwartsiet- en leisteenhellingen die dit mijnbouwland kenmerken. Zoals bij alle grassluipers is de brandgeschiedenis beslissend: hij heeft pollen nodig die vele jaren niet gebrand hebben. Het rotsreliëf levert schaduw en schuilspleten en remt het vuur. Hij foerageert lopend over de kale grond tussen de pollen en vliegt nauwelijks.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Alleen het noordwesten van Queensland: de Selwyn Range en de omliggende rotsruggen tussen ongeveer Mount Isa, Cloncurry en Dajarra. Het typeexemplaar komt van een plek even ten zuiden van Mary Kathleen. Het bewoonde gebied is klein en bovendien versnipperd over aparte hellingen en ruggen; de vogels steken de vlakten ertussen nauwelijks over. Hij is standvogel en verplaatst zich niet.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek langs de wegen bij Mount Isa een steile puinhelling waar de spinifexpollen kniehoog, gesloten en zichtbaar oud staan, en ga daar in het eerste uur na zonsopkomst zitten. Helling die in de laatste jaren gebrand heeft, kunt u overslaan. Blijf staan bij de eerste dunne tsip en laat de vogels naar u toe komen; opjagen levert alleen een rennende schim tussen de stenen op. Wie de soort op naam wil brengen, hoeft in dit gebied niet te twijfelen: een donkere, vaag gestreepte grassluiper op rots is hier deze vogel.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU). De reden is de combinatie van een zeer klein areaal en een brandregime dat dat areaal in één seizoen voor jaren kan leegmaken: grote, hete branden nemen de oude spinifexpollen weg, en de vogels zitten daarna te ver uit elkaar om de lege hellingen opnieuw te bevolken. Daar komt begrazing bij, die de pollen uitdunt, en de druk van verwilderde katten, die in vers gebrand terrein bijzonder doeltreffend jagen. De Selwyn Range is bovendien mijnbouwland, zodat plaatselijk hele ruggen kunnen worden afgegraven. Beheer draait om kleinschalig, koel branden.

Wetenschappelijke naam

Amytornis ballarae | Condon, 1969

Herbert Condon beschreef de vogel in 1969 als Amytornis textilis ballarae, naar een exemplaar van een plek enkele kilometers ten zuiden van Mary Kathleen in het noordwesten van Queensland; daarna werd hij een tijd bij de bruine grassluiper (Amytornis purnelli) ondergebracht, en pas later als eigen soort erkend. Het geslacht heette eerst Amytis, naar een Perzische vorstin; omdat die naam al vergeven was, stelde Leonhard Stejneger in 1885 Amytornis voor, met het Griekse ornis (vogel). De Nederlandse naam, net als de Engelse, noemt de Kalkadoon of Kalkatungu, het Aboriginesvolk van het land rond Mount Isa waarin de soort leeft.