Alle soortenZangvogelsPrieelvogels › Geelnekprieelvogel

Geelnekprieelvogel | Sericulus chrysocephalus

Regent Bowerbird | Pergolero regente

Geen Australische vogel houdt man en vrouw zo ver uit elkaar als deze. Het mannetje is fluweelzwart met een brede, goudgele kap en grote gele vleugelvlakken, het vrouwtje is een onopvallende olijfbruine vogel met een donkere kruin. Wie ze los van elkaar ziet, houdt ze voor twee soorten; ze zitten meestal in dezelfde vijgenboom.

Geelnekprieelvogel (Sericulus chrysocephalus)
Foto: Joseph C Boone — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zacht en weinig opvallend, zeker naast de luidruchtige satijnblauwe prieelvogel. Het gewone geluid is een nasaal, ratelend gekras van twee of drie lettergrepen, daarnaast een hoog, oplopend contactfluitje tussen de vogels in een vruchtdragende boom. Bij het prieel komt daar een zacht gesis en wat nabootsing bij, maar het blijft binnenskamers; de vogel wordt vrijwel altijd eerder gezien dan gehoord.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Het verschil tussen de geslachten is zo groot dat het apart moet worden uitgelegd. Het volwassen mannetje is diep fluweelzwart met een goudgele kruin en nek die als een kap over kop en mantel loopt, en met grote goudgele vlakken in de vleugels die in de vlucht als een gele flits oplichten; de snavel is bleekgeel en het oog is geel. Het vrouwtje mist dat alles: grijsbruin tot olijfbruin boven, lichter en schubvormig getekend onder, met een donkere, bijna zwarte kruin en een donkere snavel. Jonge mannetjes lijken jarenlang op het vrouwtje en tonen pas gaandeweg gele veren tussen het bruin, zodat de meeste vogels die men ziet vrouwelijk gekleurd zijn. Het prieel is een eenvoudig laantje van twee korte takkenwandjes, met weinig versiering — enkele slakkenhuizen, bladeren of bessen — en het mannetje beschildert de binnenwanden met speeksel vermengd met plantenpap.

Verwarrings­soorten

Het bruingekleurde vrouwtje is de moeilijke vogel: het lijkt op het vrouwtje en de jonge vogel van de satijnblauwe prieelvogel (Ptilonorhynchus violaceus), die in hetzelfde bos zit. Die is echter groter, duidelijk olijfgroen boven met een grof donker schubpatroon onder, en heeft een violetblauwe iris en een bleke snavel; de geelnekprieelvogel is bruiner, kleiner en heeft een zwartige kruin. De groene katvogel (Ailuroedus crassirostris) uit dezelfde bossen is fel grasgroen, veel zwaarder gebouwd en gevlekt op keel en kop. Het zwartgele mannetje is met niets te verwarren.

Leefgebied

Subtropisch regenwoud en de vochtige randen daarvan, natte eucalyptusbossen met een dichte onderlaag, en in de winter ook lager gelegen vruchtdragende randen, wegbermen, boomgaarden, parken en tuinen. Rond bergherbergen in het Lamington-gebied komt de soort op de voedertafels en laat zich daar op enkele meters bekijken. Vijgen, kamferlaurier, lantana en andere bessendragers trekken groepen aan; het prieel staat in dichte schaduw onder het kroondek.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Een smalle strook langs de oostkust van Australië, van ongeveer midden-oostelijk Queensland zuidwaarts door het grensbergland naar het noordoosten en midden van Nieuw-Zuid-Wales, ongeveer tot de Hunter-streek. Standvogel met duidelijke hoogtebewegingen: in de winter zakken de vogels van het bergregenwoud naar lager en opener land, in het voorjaar keren ze terug naar de prieelplaatsen. Het areaal is versnipperd door de historische kap van het kustregenwoud.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek de vruchtdragende boom, niet de vogel: een rijpe vijg of een lantanastruweel aan de bosrand levert in een halfuur meer op dan een uur speuren in het kroondek. Let op de gele flits in de vleugel wanneer een donkere vogel het bos in duikt — dat is bij deze soort vaak het enige wat men ziet. Het prieel is klein en onopvallend en wordt eerder over het hoofd gezien dan dat van de satijnblauwe prieelvogel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, al is het areaal smal en op veel plaatsen versnipperd door de kap van het kustregenwoud in de negentiende en twintigste eeuw. De kerngebieden liggen nu binnen beschermde regenwoudreservaten van het werelderfgoed. Plaatselijk profiteert de soort juist van uitheemse bessendragers in tuinen en langs wegen, die de winter overbruggen.

Wetenschappelijke naam

Sericulus chrysocephalus | (Lewin, 1808)

Lewin beschreef de soort in 1808; omdat zij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Sericulus is een verkleinvorm bij Latijn sericus (zijden), naar de zijdeglans van het kleed van het mannetje. chrysocephalus komt van Grieks khrusos (goud) en kephale (kop), naar de gouden kap. In het Nederlands draagt de soort in de gids de naam geelnekprieelvogel; in de oudere literatuur en in het Engels heet zij regentprieelvogel, naar de kleuren van het huis van de prins-regent.