Alle soorten › Zangvogels › Prieelvogels › Bruine katvogel
Bruine katvogel | Scenopoeetes dentirostris
Tooth-billed Bowerbird | Pergolero dentado
Ondanks zijn Nederlandse naam is dit geen katvogel van het geslacht Ailuroedus maar een prieelvogel op zichzelf, en hij bouwt helemaal geen prieel. Het mannetje veegt op de bosbodem een podium schoon, legt daarop verse, afgeknipte bladeren met de bleke onderkant naar boven, en zingt daarboven vanaf een jong stammetje. Het gereedschap daarvoor draagt hij in het gezicht: een zware snavel met twee inkepingen waarmee hij bladstelen doorknipt.
Geluid
Van oktober tot januari is het geluid onontkoombaar: een luid, ver dragend, krassend en explosief gezang vanaf een stammetje boven het podium, opgebouwd uit ruwe ratels, kwekkende uithalen en veel nabootsing van andere regenwoudvogels. Verschillende mannetjes zingen binnen gehoorsafstand van elkaar, zodat het bos in het voorjaar van alle kanten rammelt. Buiten het zangseizoen is de soort opvallend stil en dan vooral een geluid van ritselend blad.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een forse, gedrongen bosvogel, olijfbruin op kop, rug en vleugels en roomwit tot vuilgeel op de onderdelen, daar dicht en scherp donkerbruin gestreept van keel tot flank. Mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit. De snavel is zwaar en donker en draagt aan weerszijden van de bovensnavel een duidelijke inkeping, de tand waaraan de vogel zijn naam dankt. Het gedrag is het sterkste kenmerk en wijkt af van alle andere prieelvogels: geen laantje van takken en geen toren, maar een ontruimd podium van een tot twee vierkante meter bosbodem, waarop veertig tot honderd grote, versgeknipte bladeren met de bleke onderzijde naar boven worden gelegd. Verwelkte bladeren worden dagelijks vervangen; versiering met vruchten, schelpen of gekleurde voorwerpen ontbreekt volledig.
Verwarringssoorten
De naamsovereenkomst met de katvogels bedriegt: de gevlekte katvogel (Ailuroedus maculosus) en de groene katvogel (Ailuroedus crassirostris) zijn fel grasgroen boven en fijn gevlekt, niet olijfbruin en gestreept, en zij hebben een bleke snavel en een miauwende roep. Een vrouwtje of jonge vogel van Victoria's geweervogel (Ptiloris victoriae) leeft in hetzelfde bos maar heeft een lange, gebogen snavel en dwarse pijlvlekken in plaats van lengtestrepen. Het vrouwtje van de meiboombouwer (Prionodura newtoniana) is veel kleiner en effen asgrijs onder.
Leefgebied
Tropisch regenwoud met een gesloten kroondek en een schaduwrijke, open bodemlaag waarop een podium te maken valt, vooral boven zeshonderd meter op de bergplateaus, en in mindere mate lager langs de kustescarpementen. Buiten het zangseizoen zwerven de vogels naar lager gelegen bos en naar vruchtdragende randen. De soort eet vooral vruchten en bladeren en is daarmee, ongebruikelijk voor een zangvogel, deels bladeter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in de natte tropen van noordoost-Queensland, van het achterland van Cooktown zuidwaarts tot ongeveer het Paluma-gebied, met de zwaartepunten op het Atherton-plateau en de omringende bergblokken. Standvogel met beperkte hoogtebewegingen: in de koude maanden zakken vogels naar lager bos, in het voorjaar keren de mannetjes terug naar hetzelfde podium, dat jaren achtereen op dezelfde plek wordt schoongeveegd.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in het voorjaar van het zuidelijk halfrond naar een plek bosbodem die er te netjes uitziet: een ronde, van twijgen ontdane vlek met bleke bladeren erop, altijd onder een jong stammetje. Ga zitten, niet staan, en wacht: het mannetje zingt er bij daglicht bijna onafgebroken. Verwelkte bladeren op het podium verraden dat het mannetje even weg is, verse bladeren dat hij binnen een paar minuten terugkomt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en binnen het beperkte areaal plaatselijk talrijk. Het hele leefgebied ligt vrijwel geheel binnen het werelderfgoedgebied van de natte tropen, waar niet meer gekapt wordt. De kwetsbaarheid zit in de smalte van dat areaal: de soort komt nergens anders voor, en zware cyclonen kunnen in één seizoen het kroondek over grote oppervlakten openrukken.
Wetenschappelijke naam
Scenopoeetes dentirostris | (Ramsay, 1876)
Ramsay beschreef de soort in 1876; omdat zij later in een ander geslacht is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Scenopoeetes gaat terug op Grieks skenopoios (tentenmaker, hutbouwer), naar het podium dat het mannetje inricht. dentirostris is Latijn voor 'met een getande snavel', uit dens (tand) en rostrum (snavel), naar de inkepingen waarmee hij bladstelen doorknipt. De Nederlandse naam bruine katvogel is misleidend, want de vogel is geen Ailuroedus en miauwt niet; in de literatuur komt ook tandsnavelprieelvogel voor.
