Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Hutton-pijlstormvogel
Hutton-pijlstormvogel | Puffinus huttoni
Hutton's Shearwater | Pardela de Hutton
De hutton-pijlstormvogel is de enige zeevogel ter wereld die in het alpiene gebied broedt: zijn holen liggen in tussockhellingen boven de twaalfhonderd meter in de Seaward Kaikōura Range, en elke nacht vliegen de vogels daarvandaan naar zee en terug. Op het water is het een donkere, slanke pijlstormvogel met een lange dunne snavel, die vrijwel niet van de vlinderpijlstormvogel is te scheiden — behalve op de vuile ondervleugel met zijn donkere 'oksels'.
Geluid
Op zee zwijgt hij. Boven en in de kolonie is hij luidruchtig: harde, kakelende reeksen die sterk op die van de vlinderpijlstormvogel lijken, een ratelend ka-hek ka-hek, 's nachts geroepen door vogels die in het donker over de tussockhellingen scheren of vanuit het hol antwoorden. Wie in maart in het donker langs een kolonie kampeert, hoort de hele nacht gekwetter en het geluid van landende vogels.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Zesendertig centimeter, driehonderdvijftig gram. De bovenzijde is donker grijsbruin en loopt door tot over de kop, met een brede, gevlekte donkere halsband die van de nek langs de zijborst naar beneden zakt; de onderzijde is wit vanaf de bovenborst. Doorslaggevend is de ondervleugel: vuilwit met brede donkere randen en duidelijk donkere oksels, waardoor de vleugel van onderen nooit schoon wit oogt. De snavel is lang, slank en donkergrijs; de poten zijn rozebruin met donkere zwemvliezen. De buitenvlag van de onderstaartdekveren is donker. De vlucht bestaat uit snelle, stijve slagen afgewisseld met korte glijvluchten laag over het water.
Verwarringssoorten
De vlinderpijlstormvogel (Puffinus gavia) is de tweelingsoort en het echte probleem, vooral in Australische wateren waar beide overwinteren. Die soort is iets kleiner en lichter, toont meer wit op kin en keel, heeft een duidelijk wittere ondervleugel zónder donkere oksels, een kortere en steviger snavel, en witte buitenvlaggen aan de onderstaartdekveren waar de hutton-pijlstormvogel donkere heeft. De kleine pijlstormvogel (Puffinus assimilis) is met achtentwintig centimeter veel kleiner en compacter, zwart-wit in plaats van bruin-wit, heeft wit dat tot bóven het oog reikt, een schone witte ondervleugel met een smalle zwarte zoom, een korte snavel en blauwe poten, en vliegt met snelle trillende slagen als een alk. Als de ondervleugel niet goed te zien is, is 'klein Puffinus-type' een eerlijker conclusie dan een naam.
Leefgebied
Broedt in zelfgegraven holen op steile, met tussock begroeide hellingen boven de boomgrens in het alpiene en subalpiene gebied, tussen ongeveer twaalf- en achttienhonderd meter — een leefgebied dat geen enkele andere pijlstormvogel gebruikt. Foerageert in ondiep, koel kustwater boven het continentaal plat, vaak in grote groepen boven scholen aasvis, samen met andere pijlstormvogels en dolfijnen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Broedt uitsluitend in de Seaward Kaikōura Range op het Zuidereiland, in twee natuurlijke kolonies — in het stroomgebied van de Kowhai in Uerau Nature Reserve en bij Shearwater Stream in Puhi Peaks Nature Reserve — plus een aangelegde kolonie op het schiereiland van Kaikōura. Van september tot maart zijn de vogels talrijk in de kustwateren bij Kaikōura, meestal tussen Cape Campbell en Banks Peninsula, met losse waarnemingen van Northland tot Foveaux Strait. Na het broedseizoen trekken ze de Tasmanzee over naar Australië, waar sommige vogels een volledige rondgang tegen de klok in om het continent maken; jonge vogels blijven er vier tot vijf jaar voordat ze naar Kaikōura terugkeren.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De zekerste plek is een boottocht bij Kaikōura tussen november en februari: daar zijn de vogels in de middag talrijk en dichtbij, en zie je de donkere oksels op de ondervleugel bij vogels die langs de boot draaien. Vanaf land werkt de kustweg ten noorden van Kaikōura bij aflandige wind. In Australische wateren is een foto van de ondervleugel en de onderstaartdekveren de enige eerlijke manier om de soort van de vlinderpijlstormvogel te scheiden. Kijk in maart bij donker niet alleen naar zee maar ook naar de bergen: dan vliegen de jongen uit.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN). De soort is teruggelopen van een populatie die naar schatting in de miljoenen liep naar minder dan een half miljoen vogels, met ruim honderdduizend broedparen in nog maar twee natuurlijke kolonies; van de acht kolonies die in de twintigste eeuw bekend waren, zijn er zes verdwenen door verwilderde varkens die de holen openwoelen, en door hermelijnen en katten. Op 14 november 2016 trof de aardbeving van Kaikōura (magnitude 7,8) de kolonies rond middernacht, precies op het hoogtepunt van de eileg: minstens veertigduizend broedvogels kwamen om in aardverschuivingen en mogelijk nog tachtigduizend door instortende holen. Sinds 2005 wordt op Te Rae o Atiu op het schiereiland van Kaikōura met verplaatste kuikens een derde kolonie opgebouwd binnen een roofdiervrij raster; daar broeden nu ruim veertig paren. Van half maart tot begin april raken uitvliegende jongen gedesoriënteerd door straatverlichting en belanden ze in het stadje, waar ze jaarlijks worden opgeraapt en vrijgelaten.
Wetenschappelijke naam
Puffinus huttoni | Mathews, 1912
Gregory Mathews beschreef de soort in 1912 als Puffinus reinholdi huttoni, als ondersoort; omdat het geslacht niet veranderde, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het epitheton eert Frederick Wollaston Hutton (1836–1905), de in Engeland geboren natuuronderzoeker die de Nieuw-Zeelandse ornithologie op orde bracht. Puffinus is een gelatiniseerde vorm van het Engelse 'puffin', dat oorspronkelijk sloeg op de gepekelde jongen van pijlstormvogels. De typelocatie staat als 'Snares Island' te boek — een raadselachtige aanduiding, want waar de soort werkelijk broedde bleef onbekend tot Geoff Harrow de kolonies in 1965 hoog in de Kaikōura-bergen vond. De Māorinaam is Kaikōura tītī.


