Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Zwarthalsooievaar
Zwarthalsooievaar | Ephippiorhynchus asiaticus
Black-necked Stork | Jabirú asiático
De zwarthalsooievaar is de enige ooievaar van Australië: ruim een meter dertig hoog, met een glanzend groenzwarte kop en hals, een zware zwarte snavel en lange koraalrode poten. In Australië heet hij jabiru, al leeft de echte jabiru in Zuid-Amerika en zijn de twee niet nauwer verwant dan alle ooievaars onderling.
Geluid
Als volwassen vogel is hij vrijwel stemloos, zoals de meeste ooievaars: het geluid komt van de snavel. Bij het nest en bij de begroeting klappert hij hard en langgerekt met de snavelhelften, een droog geratel dat over het hele moeras draagt. Daarnaast klinkt een dof gebrom of gesis bij dreiging, en jongen bedelen met een luid, hoog jengelen. Ook de vleugelslag is hoorbaar: het zware zoeven van een opvliegende vogel verraadt hem in het riet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een enorme zwart-witte waadvogel van bijna anderhalve meter, met een sneeuwwit lichaam, een glanzend groen- en purperzwarte kop en hals, en een brede zwarte band over de vleugel en de staart. De snavel is zwart, recht en zwaar, de poten zijn koraalrood en steken in de vlucht ver achter de staart uit. Man en vrouw zijn even getekend en alleen aan het oog te scheiden: het vrouwtje heeft een gele iris, het mannetje een donkerbruine tot zwarte. Jonge vogels zijn vaalbruin en wit, met een doffe snavel en grijze poten. In de vlucht houdt hij hals en poten gestrekt en zeilt hij met trage, diepe slagen en een opvallend zwart-wit vleugelpatroon.
Verwarringssoorten
Een tweede ooievaar is er in dit gebied niet, dus de verwarring komt van andere grote waadvogels. De brolga en de sarusk kraanvogel zijn grijs en hebben een grijze hals en een rode kop, en vliegen in groepen; de zwarthalsooievaar vliegt alleen of per paar. Reigers en de jabiroe van het noorden bestaan hier niet, maar de witnekreiger en de zilverreiger zijn veel kleiner en vliegen met ingetrokken hals. In de vlucht kan het zwart-witte vleugelpatroon aan de ekstergans doen denken; die is korter van hals en poot en vliegt in luidruchtige troepen.
Leefgebied
Ondiepe zoetwatermoerassen, billabongs en overstromingsvlakten van rivieren, met open water tussen riet en lelies waarin hij traag waadt en met de snavel naar vis, kikkers en jonge schildpadden speurt. Ook estuaria, wadplaten, de rand van de mangrove en natte weilanden en rijstakkers worden gebruikt, vooral als de zoetwatermoerassen opdrogen. Hij mijdt droog land en diep water, en heeft hoge bomen nodig voor het nest.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Van India door Zuidoost-Azië tot Nieuw-Guinea en Australië. In Australië bewoont hij de kust en het gebied daar vlak achter van de Kimberley over het Top End en Kaap York tot langs de oostkust van Queensland, en zuidwaarts tot in het noorden van Nieuw-Zuid-Wales. Uit een groot deel van oostelijk Nieuw-Zuid-Wales, waar hij vroeger gewoon was, is hij verdwenen met het droogleggen van de overstromingsvlakten. Hij trekt niet, maar jonge vogels zwerven ver, en na grote overstromingen duiken vogels diep in het binnenland op.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kakadu in het late droge seizoen, van juni tot oktober, is de zekerste plek: Yellow Water en Mamukala, waar de vogels zich verzamelen bij de krimpende billabongs. Zoek naar een hoge zwarte-en-witte gestalte die roerloos in ondiep water staat, en kijk dan door de telescoop naar de iris — daarmee benoem je het geslacht in één keer.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar in Australië is het beeld tweeslachtig: in het moessonnoorden gaat het goed, in het zuidoosten van het areaal niet. In Nieuw-Zuid-Wales geldt de soort naar staatsrecht als bedreigd, met nog maar enkele honderden vogels in het hele zuidoosten. Drooglegging van overstromingsvlakten, het verdwijnen van hoge nestbomen, aanvaringen met hoogspanningsdraden en verdrinking in prikkeldraad zijn de belangrijkste oorzaken.
Wetenschappelijke naam
Ephippiorhynchus asiaticus | (Latham, 1790)
Latham beschreef de vogel in 1790 als Mycteria asiatica; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ephippiorhynchus werd in 1855 ingevoerd door Bonaparte, van het Griekse ephippion, zadel, en rhunkhos, snavel — naar het gele zadelvormige schild op de snavel van de Afrikaanse zadelbekooievaar, de zustersoort in hetzelfde geslacht. asiaticus betekent Aziatisch. De typelocatie is India, wat verklaart waarom de enige ooievaar van Australië een Aziatische soortnaam draagt.





