Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › IJslandse strandloper

IJslandse strandloper | Calidris canutus

Red Knot | Correlimos gordo

De IJslandse strandloper is een gedrongen, kortnekkige strandloper van het formaat van een spreeuw met een dikke buik: in de zuidelijke zomer effen grijs, in broedkleed met een steenrode kop en onderzijde. Hij is samen met de rosse grutto de vogel die de grote wadplaten van Australië en Nieuw-Zeeland in duizendtallen vult, en in Nieuw-Zeeland draagt hij de Maori-naam huahou.

IJslandse strandloper (Calidris canutus)
Foto: DickDaniels ( http://theworldbirds.org/).org/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zwijgzame vogel. Losse exemplaren zeggen zelden iets; in groepen klinkt een laag, kort en wat knorrend knut, en vlak voor het vertrek naar het noorden laten troepen een tweelettergrepig knoep-knoep horen dat over de plaat draagt. Bij het opvliegen gaat er een zacht gemompel door de groep.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1162054

Opname: Arend Wassink — CC BY-NC-SA 4.0 · De Cocksdorp, Texel, Noord-Holland, Netherlands · xeno-canto

Herkenning

Drieëntwintig tot vijfentwintig centimeter, compact en breed gebouwd, met een korte hals en een bolle buik — een strandloper die eerder op een kleine plevier dan op een stelt lijkt. De snavel is zwart, recht en kort: ongeveer even lang als de kop, en gelijkmatig dik. De poten zijn kort en dof groengrijs tot geelgrijs, nooit zwart. In rustkleed is de bovenzijde effen grijs met fijne lichte veerzomen en een vage lichte wenkbrauwstreep, de onderzijde wit met lichte streping op borst en flanken. De stuit is licht grijs en fijn gebandeerd, niet wit. In de vlucht loopt een smalle witte vleugelstreep over de arm. In broedkleed zijn kop, hals en onderzijde kastanjerood.

Verwarrings­soorten

De grote kanoet (Calidris tenuirostris) is de vogel waar het hier om draait: de twee zijn de enige echte kanoeten van dit gebied en staan vaak in dezelfde troep. De grote kanoet is duidelijk groter (zesentwintig tot achtentwintig tegenover drieëntwintig tot vijfentwintig centimeter), langer en slanker van lijf, en zijn snavel is merkbaar langer dan de kop en naar de punt toe fijner toelopend, terwijl die van de IJslandse strandloper ongeveer koplengte houdt en tot in de punt stevig blijft. De grote kanoet heeft bovendien zware zwarte vlekken op borst en flanken en een lichtere, witachtige stuit; de IJslandse strandloper blijft egaler grijs. De krombekstrandloper (Calidris ferruginea) is kleiner en slanker, heeft langere zwarte poten, een duidelijk neerwaarts gebogen snavel en een zuiver witte stuitvlek. De zilverplevier (Pluvialis squatarola) is een plevier met een korte dikke snavel, zwarte okselvlekken en de kenmerkende loop-stop-pik.

Leefgebied

Uitgestrekte zand- en slikplaten die bij eb droogvallen, in beschutte baaien, havens en estuaria. Hij foerageert op de natte plaat, waar hij tweekleppigen in hun geheel doorslikt en in de spiermaag kraakt, en verzamelt zich bij hoogwater op schelpenbanken, zandpunten en lage kwelders, vaak in dichte troepen tussen de grutto's.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Rond vrijwel de hele Australische kust, met verreweg de grootste aantallen in het noordwesten: op Eighty Mile Beach zijn tellingen tot bijna dertigduizend vogels gedaan en ook Roebuck Bay bij Broome is een kernplek. Verder zuidelijk, in de Gulf St Vincent en aan de zuidoostkust, is hij schaarser, en het binnenland gebruikt hij nauwelijks. In Nieuw-Zeeland is hij na de rosse grutto de talrijkste trekkende steltloper: ongeveer dertigduizend vogels, tegen bijna zestigduizend in het begin van de jaren negentig, met de Firth of Thames bij Miranda, de Manukau Harbour, Farewell Spit, de Awarua Bay en Lake Ellesmere als hoofdplaatsen, en geregeld op de Chathameilanden. Ongeveer een tiende — vrijwel allemaal jonge vogels van een tot drie jaar — blijft de winter over. De vogels komen vanaf half september binnen en vertrekken in maart en april. Twee ondersoorten bereiken dit gebied: Calidris canutus rogersi in Nieuw-Zeeland en Oost-Australië, Calidris canutus piersmai in Noordwest-Australië.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem bij hoogwater op de rustplaats, niet op de plaat. Loop de grutto's langs en let op de kleinere, gedrongen grijze vogels met de korte rechte snavel ertussen; leg de snavel naast de koplengte en je hebt meteen ook het verschil met de grote kanoet te pakken. In maart kleuren de eerste vogels al rood op de borst.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT) op de wereldlijst, en in Nieuw-Zeeland als achteruitgaand aangemerkt: de halvering van de Nieuw-Zeelandse stand sinds de jaren negentig is een van de duidelijkst gemeten dalingen van de hele trekroute. De oorzaak ligt grotendeels buiten dit gebied, op de tussenstop in de Gele Zee, waar inpoldering van getijdenplaten — de afsluiting van Saemangeum in Zuid-Korea is het bekendste geval — het tankstation van de trekroute heeft weggenomen. Daarnaast drukken verstoring van hoogwaterrustplaatsen en het opschuiven van het insectenaanbod op de toendra door klimaatverandering.

Wetenschappelijke naam

Calidris canutus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 in de tiende uitgave van zijn Systema Naturae als Tringa canutus; omdat ze nu in Calidris staat, komen auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, een woord waarmee Aristoteles grijze oevervogels aanduidde. Over canutus wordt vaak verteld dat het naar koning Knoet verwijst, die aan de vloedlijn de zee gebood terug te wijken — aardig bij een vogel die met het tij mee heen en weer loopt, maar historisch is er niets voor te vinden; waarschijnlijker is het een klanknabootsing van de knorrende roep. De typelocatie is Europa, later beperkt tot Zweden. De Nederlandse naam verwijst naar IJsland, waar de westelijke vogels op hun trek doorkomen.