Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Drieteenstrandloper
Drieteenstrandloper | Calidris alba
Sanderling | Playero arenero
De drieteenstrandloper is het witte vogeltje dat op zandstranden achter elke terugtrekkende golf aan holt en voor de volgende weer wegrent, op pootjes die zo snel gaan dat ze wieltjes lijken. Hij is de bleekste strandloper van dit gebied en de enige zonder achterteen — vandaar zijn naam.
Geluid
In de vlucht een kort, scherp en helder kwit of een snel herhaald twik twik twik, dat boven het geluid van de branding uit te horen is. In groepen klinkt zacht getjilp en af en toe een kort trillertje; op de grond is hij vrijwel stil.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Achttien tot twintig centimeter, met in rustkleed het lichtste kleed van alle strandlopers hier: bijna wit van kop tot onderstaart, met een zeer licht grijze bovenzijde zonder tekening. Het zwarte schoudervlekje op de vleugelboeg is het kenmerk dat de soort in dat kleed vastlegt. De snavel is zwart, recht en kort, dik aan de basis en met een licht afgestompte punt; de poten zijn kort en zwart, en een achterteen ontbreekt — uniek onder de kleine strandlopers. In de vlucht valt een brede witte vleugelstreep op tegen een donkere hand, het opvallendste vleugelpatroon van de groep. In broedkleed worden kop, hals en borst roestrood met donkere vlekken, waarna hij juist een van de donkerste strandlopers lijkt.
Verwarringssoorten
In rustkleed is hij door zijn witheid en het zwarte schouderstipje lastig te missen, maar op afstand en in slecht licht komen de kleintjes in beeld. De roodkeelstrandloper (Calidris ruficollis) is kleiner (dertien tot zestien centimeter), grijzer, fijner van snavel en heeft wél een achterteen; hij loopt bovendien op de slikplaat en niet in de branding. De kleine strandloper (Calidris minuta) is nog kleiner en fijner. De krombekstrandloper (Calidris ferruginea) heeft langere poten, een duidelijk gebogen snavel en een witte stuit. De ijslandse strandloper (Calidris canutus) is groter, gedrongener en dof grijs, zonder het schoudervlekje en zonder het wegrennen voor de golven. Het gedrag is bij deze soort bijna een veldkenmerk op zich.
Leefgebied
Open zandstranden aan de oceaan, precies op de grens van nat en droog zand waar de golven uitrollen, en verder zandbanken, zandpunten en de zandige delen van estuaria. Rusten doet hij op kaal zand in de duinvoet of achter opgeworpen kelp, waar het bleke kleed hem vrijwel onzichtbaar maakt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Wijd verspreid langs vrijwel alle Australische kusten, in kleine groepjes van enkele tot enkele tientallen vogels; de grootste concentraties liggen in het noordwesten, waar op Eighty Mile Beach tellingen van ruim drieduizend vogels zijn gedaan, en verder aan de lange oceaanstranden van de Coorong en Zuidoost-Australië. Hij komt vanaf september binnen en vertrekt begin april, met een klein aantal overwinteraars. In Nieuw-Zeeland is hij een regelmatige maar schaarse gast: jaarlijks een of twee vogels, soms groepjes van vier tot zes, op de Parengarenga- en Kaipara-havens, bij Maketu, op Farewell Spit, aan Lake Ellesmere en in de Waituna Lagoon.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop bij afgaand tij een brandingsstrand af en kijk naar de vloedlijn in plaats van naar de slikplaat: een klein, opvallend wit vogeltje dat met de golven mee heen en weer holt is vrijwel altijd deze soort. Kijk bij een stilstaande vogel naar de vleugelboeg voor het zwarte vlekje, en bij het opvliegen naar de brede witte vleugelstreep.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): de soort broedt rondom de hele hoge Arctis en overwintert op zandstranden over de halve wereld, wat haar veel minder afhankelijk maakt van een paar getijdenplaten dan de wadgebonden soorten van deze trekroute. In Nieuw-Zuid-Wales staat ze wel als kwetsbaar op de deelstaatlijst. De druk zit hier vooral in het strand zelf: voertuigen, honden en recreatie op de vloedlijn verstoren de foeragerende en rustende vogels, en ook deze soort gebruikt op de trek de slinkende getijdenplaten van de Gele Zee.
Wetenschappelijke naam
Calidris alba | (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Trynga alba; door de verhuizing naar Calidris staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, een woord van Aristoteles voor grijze oevervogels, en alba is Latijn voor 'wit', naar het bleke winterkleed. De typelocatie is de kust van de Noordzee. De Engelse naam Sanderling komt van het Oudengelse sand-yrthling, 'zandploeger', en de Nederlandse naam wijst op het ontbreken van de achterteen: er blijven drie tenen over.


