Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Siberische strandloper
Siberische strandloper | Calidris acuminata
Sharp-tailed Sandpiper | Correlimos acuminado
De siberische strandloper is de strandloper van het binnenland: waar de andere Palearctische steltlopers zich op het wad verdringen, staat deze soort met tientallen tegelijk in het gras aan de rand van een ondiepe zoetwaterplas, een rioolveld of een ondergelopen weiland. Hij is achttien tot tweeëntwintig centimeter, heeft een roestbruine pet, een smalle witte oogring en een borst die zonder scherpe grens in de witte buik overloopt. Vrijwel de hele wereldpopulatie brengt de zuidelijke zomer in Australië door.
Geluid
De roep is een zacht, rollend trrieep, veel warmer en minder scherp dan het gepiep van de kleine strandlopers, en klinkt vooral als een groep opvliegt of zich verplaatst. In een foeragerende groep hoor je een laag, aanhoudend gekwetter waarin telkens weer datzelfde wiep terugkeert. Opvliegende vogels roepen vaak twee of drie keer kort achter elkaar, waarna het geluid boven de plas nog even doorklinkt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote strandloper van achttien tot tweeëntwintig centimeter, compact gebouwd, met een korte, rechte, donkere snavel met een iets lichtere basis en olijfgroene tot geelgroene poten. De kruin is helder roestbruin en scherp begrensd, met daaronder een lichte wenkbrauwstreep en een opvallend smalle witte oogring die de vogel een verbaasde blik geeft. Rug- en vleugelveren zijn warm bruin tot kastanjebruin met lichte zomen. Het belangrijkste kenmerk zit op de borst: de bruine streping loopt in een vage, uitgewaaierde grens over in de witte buik, nooit in een scherpe lijn. In broedkleed staan op de flanken zwarte pijlpunten die tot in de onderstaartdekveren doorlopen. Jonge vogels, die hier het talrijkst zijn, zijn het mooist: een oranjebruine waas over de borst, felle kastanjebruine veerzomen en een lichte V over de mantel. Mannetjes zijn ongeveer vijftien procent groter dan vrouwtjes.
Verwarringssoorten
De gestreepte strandloper (Calidris melanotos) is de enige echt lastige en staat vaak in dezelfde plas: bij hem eindigt de donkere borststreping juist in een kaarsrechte, scherpe lijn tegen de witte buik, hij mist de roestbruine pet, en zijn snavel is duidelijker tweekleurig met een lichte basis. De krombekstrandloper (Calidris ferruginea) heeft een over de hele lengte neerwaarts gebogen snavel, langere poten en een witte stuit in de vlucht. De kemphaan (Calidris pugnax) is forser, langer van hals en poot, heeft een kleiner kopje en toont in de vlucht twee witte ovalen opzij van de stuit. De breedbekstrandloper (Calidris falcinellus) is kleiner, heeft een dubbele wenkbrauwstreep en een snavel die aan de punt geknikt is. De roodkeelstrandloper (Calidris ruficollis) is veel kleiner en zwartpotig.
Leefgebied
De grazige oevers van ondiepe zoetwater- en brakwatermoerassen in het binnenland zijn zijn kerngebied, samen met rioolvelden, bezinkbekkens, ondergelopen weilanden en de dichtgegroeide randen van stuwmeren. Hij loopt daarbij graag in de vegetatie zelf, half verscholen in gras en zeggen, en niet op de kale plaat. Aan de kust gebruikt hij wadplaten, mangroverand, zoutkwelders en soms rotskust en strand, maar altijd in kleiner aantal dan landinwaarts.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Australië is de winterbestemming van vrijwel de hele soort. De grootste concentraties liggen in het zuidoosten — de rioolvelden van Werribee bij Melbourne, de Coorong, de moerassen van de Riverina en de Murray-Darling — maar hij komt in geschikt weer tot in het hart van het continent, waar ondergelopen claypans (ondiepe kleikom die na regen tijdelijk water vasthoudt) hem kort een enorme oppervlakte opleveren. De aankomst begint in augustus in het noordwesten, de piek valt tussen december en februari en het vertrek in maart. In Nieuw-Zeeland is hij tussen september en april een schaarse gast: tot in de jaren negentig gemiddeld honderd tot tweehonderd vogels per jaar, de laatste decennia minder dan vijfentwintig, met Lake Ellesmere en Miranda aan de Firth of Thames als vaste plaatsen en incidentele waarnemingen op de Chathams en de Kermadecs.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem niet op het wad maar op een rioolveld of een ondergelopen weiland, en loop de grasrand af in plaats van het open water. Het snelste kenmerk is de kop: een heldere roestbruine pet met een smalle witte oogring eronder. Kijk daarna naar de borst en vraag jezelf één ding af — loopt de streping uit of stopt hij in een rechte lijn? Uitgelopen is siberische strandloper, kaarsrecht is gestreepte strandloper. In november en december zijn de meeste vogels jong en fel getekend, en dan is de soort op afstand al te herkennen aan de oranje gloed over de borst.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU). De wereldpopulatie loopt hard terug, en omdat de soort in één beperkte hoek van noordoostelijk Siberië broedt en vrijwel volledig in Australië overwintert, drukt elk verlies op beide uiteinden meteen door. Het zwaarste knelpunt ligt op de trekweg, bij de ingepolderde wadplaten en rivierdelta's van de Gele Zee. Binnen het kaartvenster tellen het droogleggen en volbouwen van ondiepe binnenlandse moerassen mee, het onttrekken van water uit het Murray-Darlingbekken en het verdwijnen van tijdelijke overstromingsvlakten door dammen en irrigatie. In Nieuw-Zeeland is de terugval van tweehonderd naar minder dan vijfentwintig vogels per jaar een van de duidelijkste metingen die er van die achteruitgang bestaan.
Wetenschappelijke naam
Calidris acuminata | (Horsfield, 1821)
Horsfield beschreef de vogel in 1821 als Totanus acuminatus, met Java als typelocatie — een doortrekkende vogel dus, ver van het broedgebied; door de verplaatsing naar Calidris staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton acuminatus betekent 'spits toelopend' en slaat op de puntige staartveren, hetzelfde kenmerk dat in de Engelse naam zit. De Nederlandse naam verwijst juist naar het broedgebied in Siberië. In het Māori heet hij kohutapu. Het geslacht Calidris gaat terug op een Grieks woord van Aristoteles voor een grijze vogel van de waterkant.



