Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Karmijnvliegenvanger
Karmijnvliegenvanger | Petroica boodang
Scarlet Robin | Petroica escarlata
De karmijnvliegenvanger is de bekendste rode robin van zuidelijk Australië en voor veel mensen de vogel die het beeld van het geslacht bepaalt: pikzwart van boven, met een grote, opvallend witte vlek op het voorhoofd en een diep scharlakenrode borst boven een witte buik. Hij zit graag laag en stil op een paaltje of een dode tak, kijkt omlaag en duikt op prooi in het gras. Het is bovendien een van de weinige soorten uit deze groep die geregeld in tuinen en parken aan de bosrand komt.
Geluid
Een zacht, ritmisch liedje van drie tot zes heldere, licht rollende tonen, vaak beschreven als een klein, vriendelijk deuntje dat van een lage tak komt en niet ver draagt. Daarnaast klinkt een hard, kort tik als contact- en waarschuwingsroep. De zang is in het late winterseizoen en het vroege voorjaar het meest te horen, wanneer de paren hun territorium bezetten; buiten die periode zwijgt de vogel vaak en verraadt hij zich alleen door het tikje en door zijn beweging.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het mannetje is onmiskenbaar: kop, keel en bovenzijde zwart, met een grote, zuiver witte voorhoofdvlek die tot boven het oog reikt, een brede witte vleugelstreep, witte buitenste staartpennen en een diep karmijnrode borst die scherp tegen de zwarte keel én tegen de witte buik afsteekt. Het vrouwtje is grijsbruin met een dofwitte tot bruingele voorhoofdvlek, lichte vleugelstrepen en een bleke, oranjerode waas op de borst — bij haar is het rood veel zwakker maar meestal nog wel aanwezig. De houding is kenmerkend: rechtop op een lage uitkijkpost, met kort staartwippen.
Verwarringssoorten
De vuurbuikvliegenvanger (Petroica phoenicea) is de belangrijkste verwarringssoort en overlapt in areaal. Bij die soort loopt het oranjerood door tot over de keel en de kin, zodat er geen zwarte keel is, en de voorhoofdvlek is klein en onopvallend in plaats van groot en wit; bovendien is P. phoenicea iets groter en langvleuriger, zit hij vaker in open, boomloos land en vormt hij in de winter groepjes, wat deze soort niet doet. De roodkapvliegenvanger (Petroica goodenovii) is duidelijk kleiner, heeft een rode kruin in plaats van een witte voorhoofdvlek, en leeft in droge binnenlandse struwelen. De grijs-roze vliegenvanger (Petroica rosea) en de zwart-roze vliegenvanger (Petroica rodinogaster) zijn roze en niet rood en houden zich in natte, gesloten bossen op. Buiten Australië is er verder de norfolkvliegenvanger (Petroica multicolor), tot 1999 als dezelfde soort beschouwd, maar die komt alleen op Norfolk Island voor en is daar de enige robin. De meest bedreigde soort van het geslacht, de Chatham island-vliegenvanger (Petroica traversi), is geheel zwart en leeft alleen op de Chathameilanden.
Leefgebied
Droog eucalyptusbos en open bos met een gevarieerde ondergroei, en daarnaast natter eucalyptusbos en bosranden. De soort heeft uitkijkposten nodig — dode takken, omgevallen stammen, hekpalen — en open grond of kort gras eronder, want zij jaagt door vanaf zo'n post omlaag te duiken op insecten. Waar bos aan tuinen en parken grenst, komt zij daar ook, vooral in de winter, en dat maakt haar tot een van de weinige robins die veel mensen bij huis zien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Zuidoostelijk en zuidwestelijk Australië, met Tasmanië erbij; het typespecimen komt van Sydney. De westelijke en oostelijke populaties zijn door de droge Nullarbor van elkaar gescheiden. De vogel is grotendeels standvogel, maar veel paren verlaten in de winter het hogere, dichtere bos en verschuiven naar lager, opener land — landbouwgebied, wegbermen, tuinen — om in het voorjaar weer terug te keren.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk op lage uitkijkposten in open bos: hekpalen, dode onderste takken, gevallen stammen. De vogel zit stil en lang op één plek en valt daardoor eerder op door het felle wit-en-rood dan door beweging. Controleer altijd de keel — zwart bij deze soort, rood bij de vuurbuikvliegenvanger — en daarna de grootte van de voorhoofdvlek. In de winter loont het om randen van weiland en bos af te zoeken, waar de vogels naartoe schuiven.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar in het zuidoosten van Australië is de soort merkbaar achteruitgegaan en staat zij in meerdere deelstaten en territoria op een regionale lijst van bedreigde soorten. De oorzaken die daarbij worden genoemd zijn het verdwijnen en versnipperen van open bos, het opruimen van dood hout en gevallen stammen — juist de uitkijkposten en schuilplaatsen waarvan de soort leeft — en het wegvallen van de ondergroei door begrazing. Het herstel van rommelig, gelaagd open bos met dood hout op de bodem is de maatregel waarnaar in beheer het vaakst wordt verwezen.
Wetenschappelijke naam
Petroica boodang | (Lesson, 1837)
René Primevère Lesson beschreef de soort in 1837 als Muscicapa boodang, naar een exemplaar uit Sydney. Het geslacht Petroica is samengesteld uit het Oudgriekse petros ('rots') en oikos ('woning'). Het epitheton boodang is ontleend aan een naam voor de vogel uit de taal van de oorspronkelijke bewoners van de streek rond Sydney — een van de weinige Australische vogelnamen waarin zo'n woord in de wetenschappelijke naam is bewaard. De Engelse naam Scarlet Robin en de Spaanse petroica escarlata noemen de kleur van de borst, en de Nederlandse naam karmijnvliegenvanger doet hetzelfde.



