Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Zuidereilandvliegenvanger

Zuidereilandvliegenvanger | Petroica australis

South Island Robin | Petroica neozelandesa

De zuidereilandvliegenvanger, in het Maori toutouwai, is de vliegenvanger (robin) van het Nieuw-Zeelandse Zuidereiland: een langpotige, donkergrijze vogel die rechtop op de bosbodem staat en tot dicht bij mensen komt lopen. Hij mist het rood van al zijn Australische verwanten volledig. Wat hem opvallend maakt is niet zijn kleed maar zijn gedrag: hij volgt wandelaars om op te pikken wat zij opjagen, verstopt voedsel voor later, en is daarmee een van de best onderzochte vogels van Nieuw-Zeeland geworden.

Zuidereilandvliegenvanger (Petroica australis)
Foto: Marshelec — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, aanhoudende territoriumzang van heldere, goed gescheiden fluittonen, in lange reeksen achter elkaar en met korte pauzes ertussen — een van de meest doordringende vogelgeluiden van het Zuidereilandse bos, vooral in de vroege ochtend. Mannetjes zingen minutenlang door vanaf een vaste post. Daarnaast klinkt een kort, scherp tikje als contact- en alarmroep, vaak juist wanneer de vogel vlakbij op de grond staat.

Luister: ZangXC500859

Opname: Olivier SWIFT — CC BY-NC-SA 4.0 · Kapiti Island, Kapiti Coast District, Wellington, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Een voor een vliegenvanger (robin) grote vogel, ruim dertig gram, met lange, dunne poten en een opvallend rechtopstaande houding. De bovenzijde is donker leigrijs tot bijna zwart; de onderzijde gaat op de onderborst en de buik vrij scherp over in vuilwit tot geelwit. Er is geen rood of roze, en geen witte voorhoofdvlek. Man en vrouw lijken sterk op elkaar; het vrouwtje is gemiddeld iets valer en bruiner en kleiner. De vogel hipt met lange sprongen over de bosbodem, blijft dan roerloos staan en schiet toe zodra er iets beweegt.

Verwarrings­soorten

De naaste verwant is de noordereilandvliegenvanger (Petroica longipes), die vrijwel identiek is maar alleen op het Noordereiland voorkomt; de twee zijn lang als één soort beschouwd en zijn in het veld niet zinvol op uiterlijk te scheiden — het eiland beslist. De maorivliegenvanger (Petroica macrocephala), in het Maori miromiro of ngirungiru, deelt het bos maar is veel kleiner, kortpotiger, heeft een grote ronde kop, een witte vleugelstreep en een witte voorhoofdvlek, en jaagt vanaf een tak in plaats van op de grond. De Chatham Island-vliegenvanger (Petroica traversi) — de meest bedreigde soort van het geslacht, die begin jaren tachtig tot vijf vogels was teruggelopen — is geheel zwart en leeft alleen op de Chathameilanden. Met de rode en roze Australische soorten, de karmijnvliegenvanger (Petroica boodang), de vuurbuikvliegenvanger (Petroica phoenicea), de roodkapvliegenvanger (Petroica goodenovii), de grijs-roze vliegenvanger (Petroica rosea) en de zwart-roze vliegenvanger (Petroica rodinogaster), is geen verwarring mogelijk: die hebben alle rood of roze op de onderzijde en geen daarvan bereikt Nieuw-Zeeland.

Leefgebied

Inheems bos: podocarpen-loofbos en zuidelijk beukenbos, met voorkeur voor plekken met een gesloten kronendak, een open bosbodem en veel dood hout en strooisel. De vogel foerageert vrijwel uitsluitend op de grond, waar hij bladstrooisel omwoelt op zoek naar wormen, kevers en andere ongewervelden. Hij houdt ook stand in aangeplant naaldbos met een inheemse ondergroei en in struweel van manuka en matagouri, mits er genoeg strooisel en dekking is — een flexibiliteit die bij herintroducties van pas komt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland en op Stewarteiland, waar de vorm rakiura leeft; het typemateriaal komt van Dusky Sound. Op het vasteland is de verspreiding versnipperd en beperkt tot bosgebieden waar predatoren worden bestreden. Daarnaast bestaan er belangrijke populaties op roofdiervrije eilanden en in omheinde reservaten — Motuara Island, Ulva Island en Orokonui zijn bekende voorbeelden — die grotendeels het resultaat zijn van doelbewuste verplaatsingen. Trek is er niet.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Dit is de gemakkelijkste vliegenvanger (robin) van allemaal: blijf op een bospad staan, schuifel wat met je voeten door het strooisel, en de vogel komt naar je toe om te zien wat je opjaagt. Kijk omlaag, niet omhoog. Op eilandreservaten als Ulva en Motuara staan de vogels vaak binnen een meter. Let op de lange poten en de rechtopstaande houding; dat, en de volstrekte afwezigheid van rood, scheidt hem meteen van elke Australische vliegenvanger.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC volgens de IUCN), maar die categorie dekt de Nieuw-Zeelandse werkelijkheid maar half: in de nationale bedreigingsclassificatie geldt de soort als achteruitgaand. Omdat de vogel op de grond foerageert en laag en in holten nestelt, is hij bij uitstek kwetsbaar voor ingevoerde ratten, hermelijnen en katten, en op het vasteland houdt hij vrijwel alleen stand waar die actief worden bestreden. Het antwoord daarop is de Nieuw-Zeelandse standaardaanpak geworden: roofdiervrije eilanden, omheinde reservaten en herhaalde verplaatsingen. Verscheidene van die verplaatste populaties zijn klein begonnen en hebben belangrijk onderzoek opgeleverd over inteelt en over hoe weinig stichtende vogels een populatie nodig heeft — kennis die rechtstreeks van pas kwam bij de redding van de Chatham Island-vliegenvanger (Petroica traversi).

Wetenschappelijke naam

Petroica australis | (Sparrman, 1788)

Anders Sparrman beschreef de soort in 1788 als Turdus australis, naar materiaal uit Dusky Sound op het Zuidereiland; omdat de soort nu in Petroica staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Petroica is samengesteld uit het Oudgriekse petros ('rots') en oikos ('woning'). Het epitheton australis is Latijn voor 'zuidelijk'. De Maori-naam toutouwai geldt voor zowel deze soort als de noordereilandvliegenvanger. De Engelse naam South Island Robin, de Nederlandse zuidereilandvliegenvanger en de Spaanse petroica neozelandesa noemen alle het gebied in plaats van het kleed — begrijpelijk bij een vliegenvanger die, anders dan de roodborst waaraan de Engelse naam robin is ontleend, helemaal geen rood of roze draagt.