Alle soortenZangvogelsDoornsnavels en verwanten › Kastanjeborstwitgezicht

Kastanjeborstwitgezicht | Aphelocephala pectoralis

Chestnut-breasted Whiteface | Cariblanco pecho castaño

Het kastanjeborstwitgezicht is de zeldzaamste en minst bekende van de drie witgezichten: elf centimeter, met een roodbruine band over de witte borst in plaats van een zwarte. Het hele verspreidingsgebied ligt in de stenige gibbervlakten (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien) van binnenlands Zuid-Australië, een strook van Marla zuidwaarts tot Lyndhurst aan de noordrand van de Flinders Ranges, en verder komt de vogel nergens ter wereld voor.

Van deze soort bestaat geen vrij gelicentieerde foto van een levende wilde vogel. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Geluid

Een luide, middenhoge triller van herhaalde lettergrepen, en daarnaast een zacht getwitter terwijl een groepje over de grond foerageert. Bij het zoeken naar voedsel zijn de vogels opvallend stil en schuw. Er bestaan maar weinig opnamen van de soort, en wat er is, is te schaars om het geluid als betrouwbaar determinatiekenmerk tegenover de andere witgezichten te gebruiken.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Ongeveer elf centimeter, negen tot tien gram. Het gezicht is wit, de kruin grijsbruin en gespikkeld, de bovendelen effen grijsbruin. Dwars over de witte borst loopt een brede roodbruine tot kastanjekleurige band; dat is het kenmerk waarmee de soort staat of valt. De onderstaartdekveren zijn zwart met witte punten. De snavel is kort en vinkachtig, zoals bij alle witgezichten.

Verwarrings­soorten

De gebandeerde witgezicht (Aphelocephala nigricincta) is de enige echte verwarringssoort en komt in hetzelfde droge binnenland voor: die heeft op precies dezelfde plaats een scherpe zwarte in plaats van roodbruine borstband, en roodbruin op de flanken in plaats van op de borst. De zuidelijke witgezicht (A. leucopsis) mist iedere borstband. Het is belangrijk om jonge vogels buiten beschouwing te laten: jonge A. nigricincta hebben de zwarte band nog niet en zijn in de negentiende eeuw herhaaldelijk voor deze soort aangezien, zodat men aan het bestaan van A. pectoralis ging twijfelen; pas in 1921 werd dat rechtgezet.

Leefgebied

Gibbervlakten en stenige heuvels in de aride en semi-aride zone, met een lage begroeiing van zoutstruiken: bluebush (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland) en saltbush (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) op kale, met kiezel bedekte grond. Het nest wordt in lage bluebush gebouwd. De soort is daarmee sterk gebonden aan één landschapstype, en dat is de reden dat het verspreidingsgebied zo klein blijft.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in binnenlands Zuid-Australië, in een strook van Marla in het noorden zuidwaarts tot Lyndhurst, aan de noordrand van de Flinders Ranges. Waarnemingen uit het Noordelijk Territorium zijn nooit bevestigd. Het is daarmee een van de Australische vogels met het kleinste verspreidingsgebied, en binnen die strook is hij bovendien onregelmatig verdeeld.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Dit is een soort waarvoor u het gibberland zelf moet opzoeken; toevallige waarnemingen zijn zeldzaam. Rijd langzaam langs bluebush op kiezelvlakten, let op stille groepjes die over de kiezels foerageren, en controleer de borst: roodbruin en niet zwart. Neem in troepjes met jonge vogels geen genoegen met een ontbrekende zwarte band, want dat is precies de val waarin negentiende-eeuwse verzamelaars liepen.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT) op de Rode Lijst: de populatie ligt waarschijnlijk boven duizend volwassen vogels, verdeeld over meerdere deelpopulaties, maar het verspreidingsgebied is klein en de soort is nergens talrijk. Overbegrazing door vee en konijnen tast de zoutstruiklaag aan waarvan hij afhankelijk is, en opaalwinning vernietigt plaatselijk zijn terrein. Doordat er zo weinig veldonderzoek is, is de trend slecht bekend.

Wetenschappelijke naam

Aphelocephala pectoralis | (Gould, 1871)

John Gould beschreef de soort in 1871 als Xerophila pectoralis, naar een exemplaar dat door Frank Gibson was verzameld; de typelocatie is Port Augusta in Zuid-Australië. Het geslacht Aphelocephala komt van het Griekse apheles, 'eenvoudig, effen', en kephale, 'kop'. Het Latijnse pectoralis betekent 'van de borst' en verwijst naar de kastanjekleurige band. De soort gold lange tijd als twijfelachtig, tot in 1921 werd aangetoond dat de verwarring met jonge gebandeerde witgezichten op een misverstand berustte.