Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Koningslepelaar
Koningslepelaar | Platalea regia
Royal Spoonbill | Espátula real
De koningslepelaar is de zwartsnavelige lepelaar van Australië en Nieuw-Zeeland: een grote witte vogel met een kaal zwart gezicht en een lange, aan het eind tot een lepel verbrede snavel, waarmee hij zijwaarts maaiend door ondiep water loopt. In de broedtijd draagt het mannetje een witte nekkuif van wel twintig centimeter. In Nieuw-Zeeland, waar hij zichzelf introduceerde, is hij een van de grote successen van de laatste eeuw.
Geluid
Een zwijgzame vogel, die zich bijna alleen bij het nest laat horen: gegrom, gekreun en gesis, en korte tsjoe- en tsjo-noten tussen de partners. Daarnaast maakt hij niet-stemmelijke geluiden die verder dragen dan zijn stem: een droog geklepper van de snavel en het 'wing-woofen', een dof zoevend geluid van de vleugels bij dreiggedrag in de kolonie. Foeragerende vogels zwijgen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grote, geheel witte waadvogel van vijfenzeventig tot tachtig centimeter met zwarte poten en een zware zwarte snavel die in een brede, platte lepel eindigt; ook de kale gezichtshuid is zwart, met in de broedtijd een gele vlek boven het oog en een rode vlek op het voorhoofd. Het broedende mannetje draagt lange witte nekveren die tot twintig centimeter kunnen worden en die zelfs in silhouet te zien zijn, plus een romig gele waas over onderhals en borst en een roze streep op de ondervleugel. Het vrouwtje is kleiner met een kortere snavel en kuif. Jonge vogels missen kuif en gekleurde gezichtsvlekken en hebben zwarte vleugelpunten. In de vlucht strekt hij hals en poten en vliegt hij in lijn of in V.
Verwarringssoorten
De geelsnavellepelaar (Platalea flavipes) is de enige andere lepelaar in dit gebied en het onderscheid is met één blik op de kop gemaakt: daar zijn snavel, gezichtshuid en poten bleekgeel in plaats van zwart, en de nekkuif ontbreekt. De geelsnavellepelaar is bovendien iets groter en blijft vrijwel altijd bij zoet water, terwijl de koningslepelaar juist ook op getijdenplaten en in estuaria staat. De Australische witte ibis (Threskiornis molucca) heeft hetzelfde kale zwarte hoofd en dezelfde witte romp, maar zijn snavel is naar beneden gebogen en hij sondeert in de modder in plaats van te maaien — bij een staande vogel op afstand is de snavelvorm het enige dat telt.
Leefgebied
Ondiep water, zoet zowel als zout: moerassen, lagunes, meren en boerendammen, maar ook slikplaten in estuaria, zoutkwelders, zoutwinningsbekkens en rioolwaterbekkens. De bouw van de snavel bindt hem aan water van minder dan veertig centimeter diep boven zand, modder of klei. In Nieuw-Zeeland broedt hij in kahikateabomen, in riet, in struikgewas en zelfs op rotsige koppen aan de kust; in Australië in kolonies in boomkruinen boven water of in hoog riet, vaak samen met ibissen en reigers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Australië over het oosten en het noorden, van de Kimberley via het Top End, Queensland, Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot het zuidoosten van Zuid-Australië; op Tasmanië is hij schaars, en in Midden-Australië en het zuidwesten ontbreekt hij. Aan de kust is hij standvogel, in het binnenland volgt hij het water. In Nieuw-Zeeland is hij zelf komen aanvliegen: de eerste waarneming was in 1861 bij Castlepoint en het eerste broedgeval in 1949 bij de reigerkolonie van Ōkārito in Zuid-Westland. Sindsdien is hij op beide hoofdeilanden gaan broeden en explosief toegenomen, van tweeënvijftig vogels in 1977 via 2.360 in 2012 tot 4.593 in 2024. Ook op Norfolk duikt hij op.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op een slikplaat bij afgaand tij of langs de rand van een lagune, en let op de manier van lopen: langzaam vooruit met de half geopende snavel zijwaarts door het water zwaaiend, een beweging die je op honderden meters herkent. Ga in Nieuw-Zeeland tussen oktober en februari naar een bekende kolonie — Ōkārito aan de westkust is de oudste — en let daar op de nekkuif van de mannetjes, die alleen in die maanden op volle lengte is. Kijk bij elke witte waadvogel eerst naar de snavel: recht en gelepeld is een lepelaar, gebogen is een ibis.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en in beide landen in aantal vooruitgaand. In Nieuw-Zeeland geldt hij nationaal als 'van nature ongewoon' maar toenemend: de stand is in bijna vijftig jaar bijna verhonderdvoudigd, en de belangrijkste zorg daar is verstoring van de kolonies in het broedseizoen en de opmars van recreatie langs de kust. In Australië hangt hij, net als de andere kolonievogels, aan het overstromen van de binnenlandse moerassen, maar hij wijkt gemakkelijker dan de geelsnavellepelaar uit naar kust, zoutwinning en rioolwaterbekkens, wat hem minder kwetsbaar maakt.
Wetenschappelijke naam
Platalea regia | Gould, 1838
Gould beschreef de soort in 1838 als Platalea regia, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Platalea gaat terug op Linnaeus in 1758 en is het Latijnse woord voor lepelaar, verwant met het Griekse platys, 'breed, plat'. regia betekent eenvoudig 'koninklijk', naar de kuif die het broedende mannetje als een kroon draagt. De typelocatie is de oostkust van Nieuw-Zuid-Wales. In het Māori heet de vogel kōtuku ngutupapa, 'de kōtuku met de platte snavel', naar de witte reiger waarmee hij de kolonie van Ōkārito deelt.




