Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Zwarte ibis
Zwarte ibis | Plegadis falcinellus
Glossy Ibis | Coco oscuro
De zwarte ibis is de wijdst verbreide ibis ter wereld en de enige donkere ibis van Australië en Nieuw-Zeeland: van dichtbij bronsbruin met een groene en paarse glans, op afstand eenvoudig zwart. In Australië zwerft hij achter het hoogwater van de binnenlandse rivieren aan, en in Nieuw-Zeeland heeft hij zich in deze eeuw als broedvogel gevestigd.
Geluid
Hij is voor een ibis stil en laat zich vooral in de vlucht horen, met een laag grommend toe-toe-toe-oe dat uit een overtrekkende groep komt. Op de kolonie klinkt geknor, gekras en een dof blaffend geluid tussen de nesten door. Jongen bedelen met een schor gepiep dat in een kolonie tot een aanhoudend geruis samensmelt. Buiten de broedtijd hoor je hem zelden.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · Genêts, Manche, Normandy, France · xeno-canto
Herkenning
Een slanke waadvogel van ongeveer een halve meter met lange poten en een lange, gelijkmatig neerwaarts gebogen olijfbruine snavel. In broedkleed is de hals roodbruin en het lichaam bronsbruin, met een metaalglans van groen en paars over vleugels en rug die alleen bij goed licht te zien is; de gezichtshuid is blauwgrijs met een smalle witte rand rond het oog. Buiten de broedtijd is hij doffer en zijn kop en hals fijn wit gestreept; jonge vogels zijn eenvormig grijsbruin zonder glans. In de vlucht steekt hij hals en poten recht uit en wisselt hij snelle slagen met korte glijstukken af, in linten of losse ijlen achter elkaar aan. Tegen de lucht in ziet hij er volstrekt zwart uit.
Verwarringssoorten
De Australische witte ibis (Threskiornis molucca) en de strohalsibis (Threskiornis spinicollis) zijn allebei grotendeels wit en op zicht nooit een probleem, maar in een gemengde groep tegen de lucht kost het moeite de donkere vogel eruit te halen; let dan op de kleinere, slankere bouw. De Siberische wulp (Numenius madagascariensis) heeft ook een lange gebogen snavel, maar is een steltloper met een gestreept bruin kleed en een heel andere vlucht. Lepelaars vliegen in dezelfde formatie maar zijn wit en hebben een rechte lepelsnavel.
Leefgebied
Ondiep zoet water met veel begroeiing: overstromingsvlakten, moerassen met riet en bies, kleipannen, natte weilanden en rijstvelden. Aan de kust gebruikt hij estuaria, kwelders en de zoom van mangrove. Diep open water en droge vlakten mijdt hij; wat hij zoekt is modder waar de snavel in kan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
De soort komt over vier werelddelen voor. In Australië is hij het talrijkst in het noorden, en hij broedt vooral in het Murray-Darlingbekken, in de Macquarie Marshes in Nieuw-Zuid-Wales en in het zuiden van Queensland; Tasmanië en het zuidwesten van West-Australië ziet hij alleen buiten de broedtijd. Hij zwerft ver achter de overstromingen aan, zodat hij in een nat jaar plotseling honderden kilometers buiten zijn gewone gebied opduikt. In Nieuw-Zeeland is hij sinds de eerste waarneming bij Washdyke Lagoon in 1902 uitgegroeid van dwaalgast tot vestiger: vijftig gevallen of meer, het eerste broedgeval in 2015 bij Wainono Lagoon en daarna ook bij de Wairau Lagoons.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem na regen op pas overstroomd weiland en op de randen van drooggevallen moerassen, waar hij in kleine groepjes lopend voedsel zoekt. Ga met de zon in de rug staan: alleen dan komt de bronzen en groene glans eruit die hem van een silhouet in een vogel verandert. Loop groepen witte ibissen na op een enkele donkere vogel ertussen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en wereldwijd talrijk. In Australië hangt hij aan het overstromen van de binnenlandse moerassen, en de onttrekking van water aan het Murray-Darlingbekken laat kolonies in droge jaren mislukken. In Nieuw-Zeeland gaat het de andere kant op: daar is de soort in aantal en in broedgevallen aan het toenemen.
Wetenschappelijke naam
Plegadis falcinellus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de vogel in 1766 als Tantalus Falcinellus; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Plegadis werd in 1829 ingevoerd door Kaup, naar het Griekse plegas, 'sikkel', om de kromme snavel. falcinellus is een Latijnse verkleinvorm van falx en betekent 'kleine sikkel'. De typelocatie is Java en Celebes.





