Alle soorten › Zangvogels › Australische klokvogels › Kuifdikkop
Kuifdikkop | Oreoica gutturalis
Crested Bellbird | Silbador campanillero
De kuifdikkop is de stem van het droge binnenland: een luide, klokkende reeks noten die van links komt, dan van rechts, en dan van vlakbij, terwijl de vogel niet van zijn plaats is geweest. Hij hoort bij de Australaziatische belvogels, een kleine familie van Australië en Nieuw-Guinea. Het buikspreken van deze soort is onder vogelaars in het binnenland berucht.
Geluid
De zang is een reeks van vier tot zes heldere, klokkende noten, meestal weergegeven als did-did did-did-dit, langzaam ingezet en dan versnellend. De vogel werpt zijn stem: dezelfde reeks lijkt steeds uit een andere richting en van een andere afstand te komen, zodat een vogel op vijftien meter honderd meter verderop wordt gezocht. Waar dat aan ligt is niet opgehelderd; het gevolg is dat wie op het geluid afgaat vrijwel altijd op de verkeerde plek uitkomt. Daarnaast klinkt een hard, kort tsjak bij onrust. Het zingen is het luidst van augustus tot december en houdt in de heetste maanden grotendeels op.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Negentien tot drieëntwintig centimeter: een gedrongen zangvogel met een zware kop, een korte staart en een oranjerode iris die van dichtbij meteen opvalt. Het mannetje heeft een grijze kop met een zwarte, oprichtbare kuif die als een streep over de kruin loopt, een wit voorhoofd en een witte keel, en daaronder een brede zwarte borstband; rug en buik zijn zandbruin tot grijsbruin. Het vrouwtje mist de zwarte borstband en heeft een kleinere kuif en een grijzere kop, zodat ze veel valer is. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar hebben een bruine iris. De vogel zit rechtop en stil op een lage tak en laat zich lang bekijken zodra hij eenmaal is gevonden.
Verwarringssoorten
De echte dikkoppen van het geslacht Pachycephala in hetzelfde land hebben geen kuif en geen oranjerode iris. Het vrouwtje wordt voor een vrouwelijke dikkop of een jonge klauwier aangezien; de zware kop, de korte staart en de iris beslissen. De harlekijndikkop heeft een zwart-wit gestreepte kop en werkt in bomen, niet op de grond. Op het gehoor is verwarring uitgesloten: geen andere vogel van het binnenland maakt dit geluid.
Leefgebied
Mulga en ander acaciastruweel, mallee, droog eucalyptusbos, spinifexland en de zoutstruikvlakten van het binnenland. Hij foerageert op de grond en in lage struiken en heeft open bodem tussen de struiken nodig. Van halfdroge kusten tot de kern van de woestijn, mits er struiken staan waarin hij kan nestelen. Gesloten bos en de vochtige oostkust mijdt hij volledig.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over vrijwel heel Australië ten westen van het Groot Australisch Scheidingsgebergte, van de west- en zuidkust tot in het zuiden van tropisch Noord-Australië; het uiterste noorden en de natte oostkust ontbreken. Standvogel over het grootste deel van het areaal, maar aan de zuidelijke rand trekken vogels in de winter, in juni en juli, noordwaarts weg. In het zuidoosten — Victoria en het aangrenzende Nieuw-Zuid-Wales — is de soort in de twintigste eeuw uit veel gebieden verdwenen. Elders is hij algemeen gebleven, met ruim veertigduizend waarnemingen in tien jaar.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Stop bij een strook mulga of mallee en zet de motor af; is de vogel er, dan hoort u hem binnen enkele minuten. Ga niet af op de richting van het geluid maar loop rustig de lage takken af binnen een straal van twintig meter — hij zit dichterbij dan u denkt. De beste maanden zijn augustus tot december, aan het begin van het broedseizoen. Vindt u een nest, kijk dan van een afstand naar de rand: de vogel legt daar rupsen op, en waarom is nog niet opgehelderd.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en over het droge binnenland algemeen. In Victoria staat de soort wel op de lijst van bedreigde soorten van die staat; daar is het struweel waarin ze leeft grotendeels omgezet in akker en weide. Begrazing door schapen en vee neemt de lage struiklaag weg, en dat is overal de aangewezen oorzaak van plaatselijk verdwijnen.
Wetenschappelijke naam
Oreoica gutturalis | (Vigors & Horsfield, 1827)
Vigors en Horsfield beschreven de vogel in 1827 als Falcunculus gutturalis, bij de harlekijndikkoppen; omdat de soort later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gould voerde het geslacht Oreoica in 1838 in, uit Grieks oreios ('van de bergen') en oikeō ('wonen') — een naam die slecht past bij een vogel van de vlakte. gutturalis is Latijn voor 'van de keel', naar de zwarte keel en borst van het mannetje. De typelocatie luidt 'Kent's Group' in Bass Straat, eilanden waar de soort niet voorkomt; Hindwood ging die opgave in 1942 na.





