Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Mangroveral
Mangroveral | Gallirallus castaneoventris
Chestnut Rail | Cotara australiana
De mangroveral is met ruim veertig tot vijftig centimeter de grootste ral van Australië en leeft nergens anders dan in mangrovebos: kastanjebruin van onder, olijfbruin van boven, met een grijze kop, een lange geelgroene snavel en gele poten. Bij laagwater komt hij uit het wortelgewelf tevoorschijn om over de blootgevallen modderoever van een getijdenkreek te lopen.
Geluid
Een luidruchtige vogel voor een ral: hij laat lage grommende tonen horen die overgaan in wilde, schetterende schreeuwen, het hardst bij dageraad en schemering, waarbij buren elkaar over de kreek heen beantwoorden. Het geluid draagt ver over het water en is meestal het eerste wat je van de soort merkt; van de vogel zelf zie je dan nog niets.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een zeer grote ral van vierenveertig tot tweeënvijftig centimeter en zeshonderd tot achthonderd gram — ongeveer het postuur van een purperkoet. De onderdelen zijn diep kastanjebruin, de bovendelen olijfbruin, en de kop is grijs met een lichtgrijze kinvlek. De snavel is lang, zwaar en geelgroen tot krijtgeel, de poten zijn geel en de iris is rood. De vogels van het Top End zijn overwegend kastanjebruin op het hele lijf, terwijl die van de Kimberleykust een olijfgrijzere rug hebben. Hij vliegt zelden en klimt goed: vogels worden regelmatig op mangrovetakken aangetroffen, en zwemmen is vastgesteld.
Verwarringssoorten
Binnen dit gebied is verwarring vooral een kwestie van formaat. De geelbandral (Gallirallus philippensis) foerageert aan de landzijde van hetzelfde mangrovebos, maar is nog geen twee derde zo lang, draagt een witte wenkbrauwstreep en een oranjebruine borstband, en heeft een scherp zwart-wit gebandeerde onderzijde in plaats van effen kastanjebruin. Het zwart waterhoen (Gallinula tenebrosa) is donker met een rood voorhoofdschild en zwemt. De purperkoet (Porphyrio porphyrio) is even groot maar helderblauw en rood van snavel. De Lord Howe-ral (Gallirallus sylvestris) en de weka (Gallirallus australis) zijn de andere grote verwanten in deze gids, maar vliegloos en duizenden kilometers verderop.
Leefgebied
Uitsluitend mangrovebos, en daarbinnen het dichtste, hoogste bos langs getijdenkreken en estuaria. Hij foerageert in de modder en het ondiepe water tussen de steltwortels op krabben, kleine vissen en insecten, en trekt zich bij vloed terug in het wortelgewelf. Het nest is een stevig takkenbouwsel op één tot drie meter hoogte in een vork of op steltwortels, jaar na jaar hergebruikt, met een platform van ongeveer vijfendertig tot vijftig centimeter doorsnee.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
De tropische noordkust van Australië: van King Sound in de Kimberley oostwaarts langs de kust van West-Australië, rond het Top End en Arnhemland van het Noordelijk Territorium, tot in het westelijke deel van de zuidkust van de Golf van Carpentaria; in noordwestelijk Queensland is hij vroeger vastgesteld. Elders in Australië komt hij niet voor, en in Nieuw-Zeeland al helemaal niet; buiten het kaartvenster leeft alleen nog een eigen ondersoort op de Aru-eilanden.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga bij laagwater op een getijdenkreek in mangrove bij Darwin — Buffalo Creek bij Lee Point is de klassieke plek — en vaar of loop langzaam langs de oever wanneer de modderbanken droogvallen; dan komt hij eten en loopt hij vaak onbekommerd in het zicht. Kom vroeg, want het roepen bij dageraad wijst hem aan, en laat het geluid je de bocht in de kreek kiezen. Bij vloed heeft zoeken geen zin.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een groot areaal en een leefgebied dat over het noorden van Australië nog grotendeels intact is; mangrovebos ligt daar buiten de landbouwzone en veel ervan valt binnen beschermd of inheems beheerd gebied. Havenuitbreiding en industrie rond Darwin, verstoring van getijdenkreken en op langere termijn de verandering van mangrovegordels door zeespiegelstijging en extreme hittegolven zijn de risico's. Van de Australische aantallen bestaat geen betrouwbare schatting, want de soort is in haar bos vrijwel niet te tellen.
Wetenschappelijke naam
Gallirallus castaneoventris | (Gould, 1844)
Gould beschreef de soort in 1844 als Eulabeornis castaneoventris, in de Proceedings of the Zoological Society of London, naar een vogel van de noordkust van Australië; de typelocatie is later vastgelegd op de Flinders River aan de Golf van Carpentaria. Omdat ze inmiddels naar Gallirallus is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gould voerde het geslacht Eulabeornis in dezelfde publicatie in, voor deze ene soort; de naam is gevormd uit Grieks eulabes, 'behoedzaam', en ornis, 'vogel'. castaneoventris betekent 'kastanjebuikig', van Latijn castaneus en venter.

