Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Maskerkievit
Maskerkievit | Vanellus miles
Masked Lapwing | Avefría militar
De maskerkievit is de plevier die in Australië en Nieuw-Zeeland het gazon, het sportveld en de wegberm heeft overgenomen: een forse, hoogpotige vogel met een zwarte kruin, een gele snavel en gele lellen die als een masker over het gezicht hangen. In de broedtijd verdedigt hij zijn nest door laag en snel op voorbijgangers af te duiken, en dat maakt hem tot de bekendste vogel van het schoolplein.
Geluid
Een schel, ratelend kekekekekeke dat 's nachts even goed klinkt als overdag en over een heel sportveld draagt. Bij dreiging wordt het sneller en hoger en gaat het over in aanhoudend gekrijs terwijl de vogel duikt. Een opvliegend paar roept in de vlucht met korte, harde tikken. Buiten de broedtijd is hij veel stiller, maar een groep op een nat weiland houdt onderling een zacht geknerp aan.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grote plevier van ruim dertig centimeter, hoog op vuilgele poten, met een witte onderzijde, bruingrijze bovenzijde en een zwarte kruin. Wat hem vastlegt zijn de grote gele lellen die van de snavelbasis en het gezicht afhangen, en de gele spoor op de vleugelboeg, die bij een duikende vogel goed te zien is. De noordelijke ondersoort miles heeft een geheel witte hals en zeer grote lellen; de zuidelijke novaehollandiae — de vogel van Victoria, Tasmanië en Nieuw-Zeeland — heeft een zwarte streep over nek en borstzijde en kleinere lellen. Jonge vogels zijn schubbig getekend en hebben nog nauwelijks lellen.
Verwarringssoorten
De bandkievit (Vanellus tricolor) is kleiner en donkerder, heeft een zwarte borstband en maar een klein rood lelletje, en houdt van kort, droog grasland in het binnenland in plaats van van natte gazons. De Australische griel (Burhinus grallarius) is groter, grijsbruin gestreept en nachtelijk, en heeft een groot geel oog zonder lellen. Op afstand kan een groepje maskerkieviten op een weiland op zilverplevieren lijken, maar die zijn kleiner, hebben geen geel in het gezicht en staan aan de kust.
Leefgebied
Kort gras naast ondiep water is het beeld: beweide weide, sportveld, golfbaan, wegberm, de rand van een veedrinkplaats. Daarnaast slikplaten, estuaria en het lage strand, en in Nieuw-Zeeland de grindbanken van de vlechtende rivieren van het Zuidereiland. Broeden doet hij op de kale grond, vaak midden in een veld of op een plat grinddak, waar het nest niet meer is dan een kuiltje met wat steentjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over het hele noorden, midden en oosten van Australië, en langs de zuidkust tot in Tasmanië; in de droogste delen van het westelijke binnenland ontbreekt hij. Verder Nieuw-Guinea, de Molukken en Nieuw-Caledonië. Nieuw-Zeeland is het opvallendste hoofdstuk: het eerste broedgeval was in 1932 bij Invercargill, en in tachtig jaar is de vogel van nieuwkomer tot algemene standvogel van beide eilanden geworden. Trekken doet hij niet, maar na de zomerdroogte zwerven groepen naar natter land.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in de zomer, van oktober tot januari, over een sportveld of een golfbaan aan de rand van een dorp; een paar dat u aanroept en met gespreide vleugels op u afkomt, heeft daar een nest en verraadt zichzelf. Blijf doorlopen en kijk vooral naar de vleugelboeg, want de gele spoor is het detail waar men zelden aan denkt. Op een slikplaat let u op de gele lellen, die in tegenlicht als eerste oplichten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en in beide landen toegenomen, want beweid grasland, gemaaide bermen en sportvelden hebben hem meer leefgebied gegeven dan hij ooit had. In Nieuw-Zeeland gold hij sinds 1946 als beschermde inheemse soort, maar die bescherming is er in 2010 afgehaald wegens botsingen met vliegverkeer en schade in de landbouw; hij is daarmee een van de twee inheemse soorten zonder wettelijke bescherming. Het verlies van nesten aan maaimachines, katten en verkeer weegt niet op tegen de winst.
Wetenschappelijke naam
Vanellus miles | (Boddaert, 1783)
Buffon beschreef de vogel in 1781; Boddaert gaf hem in 1783 de naam Tringa miles. Omdat hij later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vanellus werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is nieuw Latijn voor 'kievit', een verkleinvorm van vanus, 'wan' of 'waaier', naar de wiekende vlucht. miles is Latijn voor 'soldaat', naar de spoor aan de vleugel. De typelocatie werd eerst per vergissing op Louisiana gesteld; Mathews verlegde haar in 1912 naar de Tanimbar-eilanden.




