Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Noddy

Noddy | Anous stolidus

Brown Noddy | Bubí

De noddy is de grootste en donkerste van de vier noddy's: een chocoladebruine zeevogel met een lichte, grijswitte kap die naar de nek toe geleidelijk in het bruin overloopt. Hij is als het ware verkeerd om gekleurd voor een stern — donker van lijf, licht van kop — en hij duikt niet, maar plukt in de vlucht visjes van het oppervlak, vaak boven scholen jagende tonijn. Broeden doet hij in grote kolonies op de koraaleilandjes van het Barrièrerif en op Norfolk en Lord Howe.

Noddy (Anous stolidus)
Foto: Joseph C Boone — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De stem is laag en schor, veel donkerder dan die van een echte stern: een rauw, kraaiachtig kaah of karrk, dat bij het nest overgaat in een zacht ratelend krrr tussen de partners. In een kolonie van duizenden vogels loopt dat samen tot een aanhoudend, laag gebrom waarin geen enkele hoge toon zit; het klinkt eerder als een kraaienslaapplaats dan als een sternkolonie. Op zee is hij vrijwel altijd stil.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een forse stern van achtendertig tot vijfenveertig centimeter, met lange smalle vleugels en — het beslissende kenmerk — een lange wigvormige staart met een inkeping in het midden, niet de diep gevorkte staart van een echte stern. Het kleed is warm chocoladebruin, iets bleker op de vleugelboeg en zwarter naar de vleugelpunt toe. De kap is vuilwit op het voorhoofd en vervaagt over de kruin via grijs naar het bruin van de nek, zonder scherpe grens. De snavel is lang, recht en zwaar zwart, met een klein wit halvemaantje onder het oog; de poten zijn zwartbruin. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels hebben een kleiner, witter en scherper afgetekend voorhoofd. De vlucht is traag en zwaar, laag over de golven, met diepe slagen.

Verwarrings­soorten

De witkapnoddy (Anous minutus) is duidelijk kleiner en zwarter, met een dunnere snavel, een kortere staart en vooral een sneeuwwitte kap die in de nek scherp afbreekt in plaats van geleidelijk over te lopen — dat kapverschil is op afstand de beste sleutel. De kleine noddy (Anous tenuirostris) is nog kleiner en grijsbruiner, met een fijne lange snavel en een lichtgrijze kap die tot ónder het oog doorloopt; hij komt alleen bij de Houtman Abrolhos voor, zodat het gebied meestal al beslist. De grijze noddy (Anous albivitta) is bleek blauwgrijs en nog geen half zo zwaar. Jonge bonte sterns (Onychoprion fuscatus) zijn geheel donker, maar hebben witte druppelvlekken op de rug en een diep gevorkte staart, en de brilstern (Onychoprion anaethetus) heeft een wit voorhoofd dat als een wenkbrauw tot achter het oog doorloopt. Vuistregel: wigstaart plus lichte kap is een noddy, gevorkte staart plus donkere kap is een stern.

Leefgebied

Warme zee boven en voorbij het continentaal plat is zijn jachtgebied; hij foerageert graag boven jagende tonijn, die kleine visjes en inktvisjes naar de oppervlakte drijft, en gaat daarbij zelden op het water zitten. Broeden doet hij op koraaleilandjes en rotsige eilanden: op de kale zandvloer van een cay, tussen struiken van Argusia en Pisonia, of op richels van zeekliffen. Het vasteland gebruikt hij niet; daar verschijnt hij alleen na een cycloon, vaak uitgeput op het strand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

In dit gebied broedt hij op de tropische en subtropische eilanden rond vrijwel heel Australië: van de Houtman Abrolhos noordwaarts langs de West-Australische kust over de Lacepede-eilanden en de Rowley Shoals tot Ashmore Reef, en aan de oostkant op de cays van het Groot Barrièrerif — Michaelmas Cay bij Cairns en Raine Island zijn de bekendste — en in de Koraalzee. Daarnaast op Lord Howe en Norfolk, waar hij algemeen is, en op de Kermadec-eilanden, het enige Nieuw-Zeelandse broedgebied. Bij de Nieuw-Zeelandse hoofdeilanden is hij een zeldzame dwaalgast, bijna altijd na tropische storm.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Je hoeft er geen meerdaagse zeetocht voor te maken: de dagboot van Cairns naar Michaelmas Cay zet je op honderd meter van duizenden broedende noddy's en bonte sterns. Kijk bij elke overvliegende donkere zeevogel eerst naar de staart — wigvormig of gevorkt — en pas daarna naar de kop, want de staartvorm blijft ook in tegenlicht leesbaar. Op zee verraadt hij zich door zijn trage, laag scherende vlucht, heel anders dan het lichte, verende fladderen van de echte sterns.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): de wereldpopulatie loopt in de miljoenen en verdeelt zich over alle tropische oceanen. Het gevaar zit per kolonie: ingevoerde ratten en katten kunnen een eilandkolonie in enkele jaren leegruimen, cyclonen spoelen laaggelegen cays schoon, en verstoring op een broedcay kost eieren aan de witkopmeeuwen (Chroicocephalus novaehollandiae) die op het rumoer afkomen. Daarom is het bezoek aan de Australische kolonies geregeld: op Michaelmas Cay mag je alleen op een afgezet stuk strand komen.

Wetenschappelijke naam

Anous stolidus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sterna stolida, bij de sterns; omdat ze later in Anous werd geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Stephens voerde dat geslacht in 1826 in: anous is Oudgrieks voor 'zonder verstand', en stolidus betekent in het Latijn hetzelfde, 'dom'. Beide namen komen uit de scheepvaart, want broedende vogels lieten zich van het nest oppakken en golden daarom als onnozel; het Nederlandse en Engelse noddy is hetzelfde idee — een oud woord voor sukkel, en tegelijk een verwijzing naar het knikken waarmee de vogels elkaar begroeten. Als typelocatie gaf Linnaeus 'Americae pelago' op, de zee van Amerika, later opgevat als West-Indië.