Alle soorten › Kiwi's › Kiwi's › Noordelijke bruine kiwi
Noordelijke bruine kiwi | Apteryx mantelli
North Island Brown Kiwi | Kiwi pardo de la Isla Norte
De noordelijke bruine kiwi is de vogel die de meeste Nieuw-Zeelanders bedoelen als ze 'de kiwi' zeggen: geen zichtbare vleugel, geen staart, en een lange bleke snavel met de neusgaten in de punt. Hij is de talrijkste van de vijf kiwi's en de enige die in het wild op het Noordereiland leeft.
Van deze soort bestaat geen vrij gelicentieerde foto van een levende wilde vogel. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Geluid
De roep is het beste kenmerk, want de vogel zelf blijft onzichtbaar. Het mannetje geeft een hoge, opklimmende fluittoon die vijftien tot vijfentwintig keer wordt herhaald, kie-wie ... kie-wie; het vrouwtje antwoordt met een lagere, schrapende kreet die tien tot twintig keer klinkt. Het eerste uur na zonsondergang is het moment om te luisteren; op windstille nachten draagt de roep meer dan een kilometer.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een vogel ter grootte van een kip maar veel zwaarder gebouwd, roodbruin tot donkerbruin, met zwarte en bruine strepen die het verenkleed ruw en haarachtig maken. De snavel is lang, licht gebogen en bleek, bij het vrouwtje duidelijk langer; poten en tenen zijn kort, bleek en zwaar. Hij loopt gebogen, met de snavel in de strooisellaag, en snuffelt hoorbaar. Vrouwtjes wegen 2,7 kilo tegen 2 kilo voor mannetjes; verder zijn de geslachten in het veld gelijk.
Verwarringssoorten
De vier andere kiwi's overlappen niet met deze soort: de zuidelijke bruine kiwi (Apteryx australis) leeft in Fiordland en op Stewarteiland en is groter, de okaritokiwi (A. rowi) in één bos aan de westkust en is kleiner en grijzer, en de dwergkiwi (A. owenii) en de grote gevlekte kiwi (A. maxima) zijn grijs met fijne dwarsbanden in plaats van roodbruin gestreept. Wat op het Noordereiland in het wild roept, is dus A. mantelli. In het donker wordt een ritselende weka (Gallirallus australis) er vaak voor aangezien, maar die heeft een zichtbare staart en een korte snavel.
Leefgebied
Podocarpen-loofbos en kauribos met een dikke strooisellaag zijn de kern, maar hij redt zich even goed in manuka- en kanukastruweel, in aanplant van Pinus radiata en op ruw boerenland met houtwallen. Hij heeft vochtige, doordringbare grond met wormen en larven nodig, en dichte dekking voor overdag. Hij komt voor van zeeniveau tot ongeveer 1400 meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het Noordereiland ten noorden van de Manawatu-kloof: Northland, Coromandel, de Bay of Plenty, Gisborne, Hawke's Bay, Taranaki, Whanganui en het Tongarirogebied, het dichtst in Northland. Daarnaast is hij gevestigd op roofdiervrije eilanden en in omheinde reservaten. Over grote delen van het eiland is hij in de twintigste eeuw verdwenen, zodat het beeld een lappendeken is van sterke plekken en lege bossen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga na donker aan de rand van een bosperceel zitten en luister in plaats van te zoeken; twee mensen op honderd meter afstand kunnen samen bepalen waar een roepend paar zit. Loop niet met licht het bos in, en kies de eerste windstille nachten na regen.
Staat van instandhouding
AviList voert de soort als kwetsbaar (VU); de landelijke schatting lag rond vijfentwintigduizend vogels en de gemeten roepdichtheid daalt langzaam. Het knelpunt zijn de kuikens: in onbeheerd bos doden hermelijnen er ruwweg negen van de tien, en loslopende honden doden volwassen vogels. Waar met vallen wordt gewerkt of jongen op een roofdiervrij eiland worden grootgebracht, herstelt de soort snel.
Wetenschappelijke naam
Apteryx mantelli | Bartlett, 1852
Bartlett beschreef de vogel in 1852 als Apteryx mantelli, en in dat geslacht staat hij nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Apteryx werd in 1813 ingevoerd door Shaw, van het Griekse a-, 'zonder', en pteryx, 'vleugel'. Het epitheton eert Walter Mantell, die in Nieuw-Zeeland het vogel- en moamateriaal verzamelde waarop veel vroeg beschrijfwerk berust. De typelocatie is eenvoudig 'North Island'.




