Alle soorten › Kiwi's › Kiwi's › Zuidelijke bruine kiwi
Zuidelijke bruine kiwi | Apteryx australis
Southern Brown Kiwi | Kiwi común
De zuidelijke bruine kiwi of tokoeka is de grootste van de bruine kiwi's en de vogel van het diepe zuiden: Fiordland, Haast en Stewarteiland. Roodbruin en ruig, met een lange bleke snavel en zware korte poten — en op Stewarteiland is hij de enige kiwi ter wereld die je met enige kans ook bij daglicht ziet lopen.
Geluid
Het mannetje geeft een hoge, opklimmende fluittoon die vijftien tot vijfentwintig keer wordt herhaald; het vrouwtje antwoordt met een tragere, lagere en hese keelkreet, tien tot twintig keer achtereen. Paren roepen vaak in duet, waarbij de twee stemmen over elkaar heen vallen — in Fiordland het meest gehoorde nachtgeluid van het bos. Bij het zoeken klinkt een luid snuivend blazen door de neusgaten in de snavelpunt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Met ongeveer vijfenveertig centimeter en 2,4 kilo bij het mannetje tegen 3,1 kilo bij het vrouwtje de forsste kiwi van het zuiden. Het kleed is roodbruin tot donkerbruin, met zwarte en bruine strepen die de veren een ruwe, haarachtige aanblik geven; de snavel is lang, bleek en licht gebogen, bij het vrouwtje merkbaar langer, de poten en tenen kort, bleek en zwaar. Hij loopt met de kop laag en de snavel prikkend in de strooisellaag, en klinkt daarbij als een snuffelend zoogdier.
Verwarringssoorten
De okarito-bruine kiwi (Apteryx rowi) is de naaste soort in het veld: kleiner, bleker en met een grijzige waas over het kleed, vaak met witte veertjes in het gezicht, en beperkt tot één laaglandbos bij Okarito — ruim honderd kilometer ten noorden van het dichtstbijzijnde tokoeka-terrein bij Haast, zodat overlap ontbreekt. De noordelijke bruine kiwi (A. mantelli) is eveneens kleiner en zit uitsluitend op het Noordereiland. De kleine grijze kiwi (A. owenii) is grijs met witte dwarsbanden en half zo zwaar. Roept er iets in Fiordland of op Stewarteiland, dan is A. australis de enige mogelijkheid.
Leefgebied
Van de vloedlijn tot boven de boomgrens: zuidelijk beukenbos en podocarpen-loofbos in Fiordland en bij Haast, en op Stewarteiland daarnaast tussockgrasland op de Tin Range, manuka- en matagouristruweel en zelfs de duinen en de aangespoelde zeewierranden van Mason Bay. Fiordlandvogels lopen in de zomer tot in de alpiene kruidenvelden. De territoriumgrootte volgt het voedselaanbod: van ongeveer vijf hectare in tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) tot vijftig hectare in duinterrein.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen het zuidwesten van het Zuidereiland en Stewarteiland/Rakiura, en nergens anders ter wereld. Drie van elkaar gescheiden vormen: Fiordland met ongeveer vijftienduizend vogels, Stewarteiland met dertien- tot vijftienduizend over de zuidelijke twee derde van het eiland, en een kleine, geïsoleerde groep rond Haast van ongeveer driehonderdvijftig vogels. Op het Noordereiland en in Australië ontbreekt hij volledig.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Mason Bay op Stewarteiland is de beroemdste plek: loop bij schemer over de duinen en langs de vloedlijn, waar vrouwtjes vaak nog bij daglicht naar zandvlooien en wormen zoeken. In Fiordland gaat het om luisteren — ga na donker aan een meeroever of bij een hut zitten op een windstille avond en wacht op het duet. Neem rood licht mee, en blijf stilstaan zodra je iets hoort ritselen: de vogel loopt vaak zelf naar je toe.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU). Binnen Nieuw-Zeeland gelden de Fiordland- en Haastvormen als nationaal kwetsbaar en de Haastgroep van ongeveer driehonderdvijftig vogels als de zorgelijkste van alle kiwi-populaties. Hermelijnen doden kuikens voordat die het gewicht van ruwweg een kilo bereiken waarop ze zich kunnen verweren. Op Stewarteiland, waar geen hermelijnen zitten, drukken verwilderde katten en het dichtgroeien van het oude boerenland bij Mason Bay de aantallen; daar is de populatie plaatselijk aan het dalen en staat maar een paar procent onder actief beheer.
Wetenschappelijke naam
Apteryx australis | Shaw, 1813
Shaw beschreef de vogel in 1813 als Apteryx australis, naar een huid die uit het diepe zuiden van Nieuw-Zeeland was meegebracht; de naam staat nog in het oorspronkelijke geslacht, dus auteur en jaartal blijven zonder haakjes. Apteryx komt van het Griekse a-, 'zonder', en pteryx, 'vleugel'; australis betekent 'zuidelijk'. De typelocatie luidt 'New Zealand', in de Nieuw-Zeelandse checklist beperkt tot Stewarteiland/Rakiura. De Māori-naam tokoeka wordt doorgaans weergegeven als 'weka met een wandelstok'.





