Alle soorten › Kasuarisachtigen › Kasuarissen en emoe › Emoe
Emoe | Dromaius novaehollandiae
Emu | Emú
De emoe is na de struisvogel de grootste vogel ter wereld en de enige die het Australische binnenland van kust tot kust bewoont: een loopvogel van bijna twee meter, met dubbel geschafte veren die als een ruige vacht over het lichaam hangen. Hij zwerft honderden kilometers achter de regen aan, en het is het mannetje dat broedt en de kuikens grootbrengt.
Geluid
Het vrouwtje maakt een diep, dreunend boemen uit een opblaasbare halszak, dat bij stil weer twee kilometer draagt: oemp ... oemp, met lange tussenpozen. Het mannetje knort en gromt in plaats daarvan, een zacht varkensachtig grr-grr dat pas op korte afstand hoorbaar is. Kuikens fluiten scherp en aanhoudend; dat geluid verraadt vaak een familie die door hoog gras loopt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grijsbruine, ruigharige loopvogel van 1,6 tot 1,9 meter, met een lange nek, drie tenen en geen zichtbare vleugel. Kop en nek zijn grotendeels kaal en blauwzwart, het sterkst bij vogels in goede conditie; het vrouwtje is gemiddeld groter en heeft in de broedtijd een donkerder gezicht. De veren hangen slap en uiteen, waardoor het dier eerder op een lopende hooibaal lijkt dan op een vogel. Kuikens zijn crèmekleurig met donkerbruine lengtestrepen, een tekening die ze na een maand of drie kwijtraken.
Verwarringssoorten
In het regenwoud van noordoostelijk Queensland is de helmkasuaris (Casuarius casuarius) de enige echte verwarring: zwart, met een hoge hoornen helm en een rode en blauwe hals, en altijd in gesloten bos. Verwilderde struisvogels (Struthio camelus) houden stand rond Port Augusta in Zuid-Australië; die zijn hoger, hebben twee tenen en een kale roze nek. Op afstand kan een emoe in trillende lucht op een kangoeroe of een grazend rund lijken, maar de gelijkmatige hoge tred met kloppende kop verraadt hem.
Leefgebied
Savanne met eucalyptus, droog eucalyptusbos, mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) en spinifexland (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland): overal waar gras, zaad, vrucht en insect te halen zijn en het water niet te ver weg is. Hij mijdt gesloten regenwoud en de droogste zandwoestijn, maar loopt zonder aarzelen over graanakkers en beweid extensief weidegebied. In het zuidwesten volgt hij in de zomer de bloei en het zaad van de wheatbelt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over vrijwel het hele Australische vasteland, van de kust tot boven de boomgrens in de Australische Alpen, met de hoogste dichtheden in het halfdroge binnenland. Op Tasmanië is hij kort na de Europese vestiging uitgeroeid, en de kleine vormen van King Island en Kangaroo Island zijn eveneens verdwenen. Trekken doet hij niet, zwerven wel: gezenderde emoes leggen honderden kilometers af, tot vijfentwintig per dag, in de richting waar regen is gevallen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem vroeg in de ochtend langs een grindweg door mulga of savanne, waar hij tegen het licht in als een donkere bult boven het gras uitsteekt. Van december tot februari lopen groepen naar het water; ga bij een veedam zitten en wacht, want emoes komen op vaste tijden en steeds van dezelfde kant.
Staat van instandhouding
AviList voert de emoe zonder Rode Lijst-categorie (NE). Op het vasteland is hij talrijk — de schattingen liggen rond de zes- à zevenhonderdduizend volwassen vogels — en hij profiteert van veedammen en van het uitdunnen van dichte begroeiing. Plaatselijk drukken hekwerk, aanrijdingen en de omzetting van extensief weidegebied in akkerland de aantallen; de kustpopulatie van Nieuw-Zuid-Wales is daardoor sterk geslonken.
Wetenschappelijke naam
Dromaius novaehollandiae | (Latham, 1790)
Latham beschreef de vogel in 1790 als Casuarius novaehollandiae, bij de kasuarissen; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dromaius werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, naar het Griekse dromaios, 'hardlopend'. novaehollandiae betekent 'van Nieuw-Holland', de oude naam van Australië. Het beschreven exemplaar kwam uit Nieuw-Holland; Mathews beperkte de typelocatie in 1910 tot Sydney in Nieuw-Zuid-Wales.





