Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Norfolkkakariki
Norfolkkakariki | Cyanoramphus cookii
Norfolk Parakeet | Perico de Norfolk
De norfolkkakariki, op het eiland zelf simpelweg de green parrot, is de enige papegaai die van nature op Norfolkeiland voorkomt: een forse groene parkiet met een rode kruin en een zware bleke snavel. Hij is tweemaal bijna uitgestorven en tweemaal door mensenhand teruggehaald.
Geluid
De roep is een luid, ratelend kek-kek-kek, soms uitgerekt tot een snel kakakakaka, dat door het Araucaria-bos van Mount Pitt snijdt. Daarnaast klinken kortere, hardere alarm- en contactgeluiden tussen paarvogels. Hij wordt veel vaker gehoord dan gezien: het groen valt in de kroon vrijwel weg, en de roep is meestal het enige spoor.
Opname: William Goulding — CC BY-NC-SA 4.0 · Mt Bates track, Norfolk Island National Park, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een stevige, kortvleugelige parkiet van ongeveer dertig centimeter en zo'n honderd gram, met een opvallend ronde kop en een naar verhouding zeer grote, bleek blauwgrijze snavel. Het kleed is groen met een lichtgele waas op de onderzijde. Rood staat op voorhoofd, kruin, teugel en als een vlek achter het oog, en verder aan weerszijden van de stuit. De handdekveren en de buitenste handpennen zijn violetblauw; de staart is donkergroen met gele zomen. Het vrouwtje heeft minder rood en een kleinere snavel.
Verwarringssoorten
Op Norfolkeiland is de enige andere groene papegaai de ingevoerde blauwwangrosella (Platycercus elegans): volwassen vogels zijn karmijnrood met blauw, maar de jonge vogels zijn grotendeels groen en worden geregeld voor deze soort aangezien — let dan op de blauwe wangen en de veel langere, smallere staart van de rosella. Van zijn Nieuw-Zeelandse tegenhanger, de roodvoorhoofdkakariki (Cyanoramphus novaezelandiae), is hij in het veld nauwelijks te scheiden; hij is groter en zwaarder van snavel, en geografisch is er geen overlap.
Leefgebied
Hoog, dicht restbos van norfolkden (Araucaria heterophylla) met inheemse ondergroei in het nationale park op Mount Pitt en Mount Bates, nog geen driehonderd hectare groot. Van daaruit trekt hij naar aangrenzende eucalyptusaanplant, boomgaarden en tuinen om te eten — zaden, vruchten, knoppen en bloemen. Hij broedt in holten van oude, dikke bomen, en juist die zijn op het eiland schaars geworden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Uitsluitend Norfolkeiland, en daarbinnen vrijwel alleen het Norfolk Island National Park en de bossen en tuinen er direct omheen. Hij trekt niet en verlaat het eiland niet. De verwante vogel van Lord Howe Island is in de negentiende eeuw uitgeroeid, zodat de Norfolkvogel de laatste is van deze groep binnen Australisch gebied.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de vroege ochtend naar het uitzichtterras bij de Botanic Gardens, het begin van het Mount Bates-pad of de vallei bij Palm Glen en blijf staan luisteren: het harde kek-kek-kek verraadt hem voordat je iets ziet bewegen. Volg het geluid en zoek dan naar beweging in de kroon van de norfolkdennen, of let op een vogel die tussen twee bosranden oversteekt. Boomgaarden aan de rand van het park zijn in de vruchttijd de beste kans.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst rekent deze vogel nog bij de wijdverbreide roodvoorhoofdkakariki en geeft daardoor formeel niet bedreigd (LC), maar dat dekt de werkelijkheid niet: Australië beschermt hem als bedreigde soort en zijn hele wereldstand leeft op één eiland. Eind jaren zeventig waren er minder dan vijftig vogels over; roofdierbestrijding en nestkasten vanaf 1987 leverden tot 2000 ruim tweehonderdvijftig uitgevlogen jongen, en een telling in 2009 kwam op ongeveer tweehonderdveertig vogels. Daarna zakte de stand opnieuw: in 2013 werden nog tweeënveertig tot zesennegentig vogels geschat, met slechts tien bevestigde volwassen vrouwtjes in zo'n driehonderd hectare restbos. In 2014 werden binnen een jaar achtenzeventig rat- en kattenbestendige nestholten gebouwd, met een gladde cementrand rond de invliegopening; het aantal broedparen ging van tien naar ongeveer tweeëntwintig, in 2015 stond de stand weer op ruwweg tweehonderdtwintig vogels, en in 2016 haalde zeventig procent van de nesten jongen, tegen historisch zelden meer dan veertig procent. Zwarte ratten, verwilderde katten en concurrentie om holten met blauwwangrosella's en spreeuwen blijven de kern van het probleem.
Wetenschappelijke naam
Cyanoramphus cookii | (Gray, 1859)
George Robert Gray beschreef de soort in 1859 als Platycercus cookii; door de plaatsing in Cyanoramphus staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton eert James Cook, die de vogel meldde toen hij in 1774 op Norfolkeiland aan land ging. De typelocatie werd bij vergissing als Nieuw-Zeeland opgegeven en is verbeterd tot Norfolkeiland. Lange tijd gold de vogel als een ondersoort van de roodvoorhoofdkakariki; hij wordt nu als eigen soort behandeld en heet in de literatuur ook wel Tasman parakeet.



