Alle soortenZangvogelsElfjes › Opaltongrassluiper

Opaltongrassluiper | Amytornis rowleyi

Opalton Grasswren | Maluro herrumbroso

De opaltongrassluiper is de raadselachtigste van de dertien grassluipers in deze gids: een muisachtig, langstaartig vogeltje dat tussen de stekelige spinifexpollen op de rotsige heuvels bij Opalton in centraal-west Queensland leeft. Hij werd pas in 1999 als aparte vorm benoemd en kort daarna tot soort verheven; zijn hele wereldareaal beslaat naar schatting enkele honderden vierkante kilometers.

Opaltongrassluiper (Amytornis rowleyi)
Foto: (c) Kym Nicolson, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Als alle grassluipers zingt hij hoog, ijl en snel: een dun ratelend liedje van een paar seconden dat over enkele tientallen meters al in de wind wegvalt. Het contactgeluid is een fijne, scherpe tsip-noot waarmee de vogels elkaar tussen de pollen volgen. Het repertoire van deze soort is nauwelijks apart beschreven; voor het oor verschilt het niet duidelijk van dat van de witkeelgrassluiper (Amytornis striatus), waaruit hij is afgesplitst.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Veertien tot zestien centimeter, waarvan de staart ruim de helft uitmaakt; die staart wordt bij het rennen vaak recht omhoog gedragen. De bovendelen zijn warm roodbruin met fijne witte schachtstrepen die elk zwart zijn omzoomd, waardoor de rug van dichtbij gestreept oogt en op afstand egaal roestkleurig. De keel is wit en scherp afgezet; het mannetje heeft een zwarte baardstreep langs die witte keel, het vrouwtje niet, maar wel roestbruine flanken. Snavel fijn en donker, poten lang en sterk — dit is een vogel die rent, niet vliegt.

Verwarrings­soorten

Het uiterlijk helpt hier nauwelijks: de grassluipers van de striatus-groep lijken sterk op elkaar en het verspreidingsgebied is in de praktijk het enige bruikbare onderscheid. De kalkadoongrassluiper (Amytornis ballarae), eveneens een recente afsplitsing, zit enkele honderden kilometers noordwestelijker in de Selwyn Range bij Mount Isa. De witkeelgrassluiper (Amytornis striatus) zit veel zuidelijker, in de mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) en op de zandvlakten van Nieuw-Zuid-Wales, Victoria en Zuid-Australië. De bruine grassluiper (Amytornis purnelli) van de MacDonnell Ranges is donkerder en veel zwakker gestreept en mist het scherpe wit-zwarte keelpatroon. Dorothy's grassluiper (Amytornis dorotheae) leeft in het zandsteen van de Golf van Carpentaria. Geen van deze soorten komt bij Opalton voor: wie in dat gebied een grassluiper in spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) ziet, ziet deze soort.

Leefgebied

Dichte, oude spinifexpollen (Triodia) op rotsige heuvelruggen, steenpuinhellingen en de randen van de zogeheten jump-ups — afgevlakte, met keien bedekte tafelheuvels. Hij heeft pollen nodig die lang niet gebrand hebben en groot en dicht genoeg zijn om in te schuilen en te nestelen; jonge, kleine pollen na een brand worden gemeden. Open, vlak grasland tussen de heuvels wordt hooguit overgestoken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in een klein gebied in centraal-west Queensland: de Forsyth Range en omliggende rotsige heuvels rond het opaalveld Opalton, ten zuidwesten van Winton. Het is een van de kleinste verspreidingsgebieden van alle Australische zangvogels. Standvogel: de vogels blijven hun leven lang in hetzelfde stelsel van spinifexhellingen en er zijn geen aanwijzingen voor trek of zwerfgedrag.

  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga vroeg, als het nog koel is, en loop langzaam langs de onderrand van een rotsige spinifexhelling. Luister eerst en kijk daarna: het ijle liedje verraadt de vogels voordat u ze ziet. Wie ze opjaagt, ziet meestal alleen een bruine schim die met opgehouden staart van pol naar pol rent; blijf staan en wacht, want een verstoord groepje komt na enkele minuten vaak weer bovenop een steen kijken.

Staat van instandhouding

De IUCN heeft deze soort onder haar eigen naam nog niet beoordeeld: in de rode lijst valt zij nog onder de ruim opgevatte witkeelgrassluiper (Amytornis striatus), die als niet bedreigd te boek staat. Dat is voor een vogel met een areaal van enkele honderden vierkante kilometers een geruststelling die niets zegt. De reële risico's zijn een te frequente of te grootschalige brand, die de oude spinifexpollen in één seizoen wegneemt, begrazing door vee en verwilderde paarden, en predatie door verwilderde katten. Omdat de hele wereldpopulatie in één landschap zit, kan één slecht brandjaar een groot deel ervan treffen.

Wetenschappelijke naam

Amytornis rowleyi | Schodde & Mason, 1999

Richard Schodde en Ian Mason beschreven de vogel in 1999 in hun Directory of Australian Birds: Passerines als ondersoort Amytornis striatus rowleyi; daarna is hij op grond van genetisch en morfologisch onderzoek tot soort verheven, waardoor auteur en jaartal niet tussen haakjes staan. Het eerbetoon geldt Ian Rowley (1926–2009), de Australische ornitholoog die met zijn jarenlange studies aan elfjes de Maluridae op de kaart zette. Het geslacht heette eerst Amytis, naar een Perzische vorstin, maar die naam was al aan een andere diergroep vergeven; Leonhard Stejneger stelde daarom in 1885 Amytornis voor, met het Griekse ornis (vogel) erachter. De Nederlandse naam verwijst naar het opaalveld Opalton, het gehucht waarbij de vogel opnieuw werd gevonden.