Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Witkeelgrassluiper
Witkeelgrassluiper | Amytornis striatus
Striated Grasswren | Maluro estriado
De witkeelgrassluiper is de bekendste en zuidelijkste van de dertien grassluipers in deze gids: een roestbruin, langstaartig vogeltje met een scherp afgezette witte keel, dat in de spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) onder de mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) van zuidoostelijk Australië leeft. Van deze soort zijn in deze eeuw drie westelijke en noordelijke vormen als aparte soorten afgesplitst, waardoor het areaal op papier flink is gekrompen.
Geluid
Een hoog, dun en snel ratelend liedje van twee tot vier seconden, met een licht stijgend slot; het wordt vaak vanaf de top van een spinifexpol of een lage malleetak gezongen. Het contactgeluid is een fijne, scherpe tsip. Bij onraad klinken droge tjek-noten. Het hele repertoire ligt zo hoog dat het in wind of ruis snel verdwijnt — veel waarnemers vinden de vogel op geluid of niet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Veertien tot zestien centimeter, waarvan de staart ruim de helft; rennend wordt die staart recht omhoog gedragen. De bovendelen zijn warm roodbruin met fijne witte schachtstrepen die elk zwart zijn omzoomd — van dichtbij een duidelijke streping, op afstand een egaal roestkleurige vogel. De keel is helder wit en scherp afgezet. Het mannetje heeft langs die witte keel een zwarte baardstreep, het vrouwtje niet, maar wel roestbruine flanken. Snavel fijn en donker, poten lang.
Verwarringssoorten
Binnen het geslacht is verspreidingsgebied verreweg het bruikbaarste kenmerk. De pilbaragrassluiper (Amytornis whitei), de duingrassluiper (Amytornis oweni) en de opaltongrassluiper (Amytornis rowleyi) zijn uit deze soort afgesplitst en zien er vrijwel hetzelfde uit, maar leven alle drie ver naar het westen of noorden en overlappen niet met deze soort. De kortstaartgrassluiper (Amytornis merrotsyi) zit in de Flinders en Gawler Ranges van Zuid-Australië en is te kennen aan een duidelijk kortere staart en aan rotsig terrein in plaats van mallee. De westelijke grassluiper (Amytornis textilis) en zijn verwant Amytornis modestus, die niet in deze gids staat, zijn groter, valer en effener en missen de warme roestkleur en de scherpe zwart-witte keeltekening. In hetzelfde spinifexbed onder de mallee scharrelt bovendien de mallee-emoesluiper (Stipiturus mallee), die veel kleiner is en een dunne, uit losse, haarachtige veren bestaande staart heeft.
Leefgebied
Oude, dichte spinifexpollen (Triodia) onder mallee-eucalyptus, en daarnaast spinifex op open zandvlakten en duinruggen. Beslissend is niet de mallee maar de ouderdom van de pollen: hij heeft pollen nodig die zeker een jaar of tien niet gebrand hebben en groot genoeg zijn om onder te nestelen. Na een brand verdwijnt hij van een terrein en het duurt jaren voordat hij terugkeert.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het zuidoosten van het Australische binnenland: de mallee van noordwestelijk Victoria, het zuidwesten en midden van Nieuw-Zuid-Wales en aangrenzend Zuid-Australië, met bekende kernen in de Big Desert en Sunset Country, in Round Hill en Nombinnie en in het Riverland. De typelocatie ligt aan de benedenloop van de Namoi in Nieuw-Zuid-Wales. Standvogel met vaste terreinen; de populatie is sterk versnipperd geraakt door landbouw en door grote branden.
- Jaarrond
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in het eerste uur na zonsopkomst langs een strook mallee waar de spinifexpollen kniehoog en gesloten staan, en blijf staan zodra u het dunne liedje hoort. Zoek de zingende vogel op de top van een pol of op een dode tak vlak boven de grond. Wie de pollen doorkruist, jaagt de vogels op en ziet niets meer dan een rennende bruine schim. Gebieden die enkele jaren geleden gebrand hebben, kunt u overslaan.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de niet bedreigde vogels. Let op: het gegevensbestand AviList vermeldt voor deze soort geen categorie, omdat de rode lijst de naam nog in ruime zin gebruikt, inclusief de inmiddels afgesplitste westelijke en noordelijke vormen. In Australië zelf gaat het de soort plaatselijk slecht: de mallee is over grote oppervlakten voor landbouw geruimd en de resterende reservaten worden geteisterd door zeer grote branden, waarna een gebied jarenlang ongeschikt blijft. Verwilderde katten en vossen doen de rest. Beheer draait daarom vooral om het behouden van grote, lang niet gebrande spinifexvlakken.
Wetenschappelijke naam
Amytornis striatus | (Gould, 1840)
John Gould beschreef de vogel in 1840 als Dasyornis striatus, bij de borstelvogels, naar een exemplaar van de benedenloop van de Namoi in Nieuw-Zuid-Wales; omdat de soort later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. striatus is Latijn voor 'gestreept', naar de fijne witte schachtstrepen. Het geslacht heette eerst Amytis, naar een Perzische vorstin; omdat die naam al vergeven was, stelde Leonhard Stejneger in 1885 Amytornis voor, met het Griekse ornis (vogel). De Nederlandse naam wijst op de witte keel, het enige kenmerk dat deze groep op afstand verraadt.

