Alle soortenZangvogelsHoningeters › Oranje schijnpaapje

Oranje schijnpaapje | Epthianura aurifrons

Orange Chat | Eptianuro naranja

Het oranje schijnpaapje is de vogel van de zoutvlakte. Waar de saltbush (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) en de bluebush (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland) zich in grijsgroene pollen over een kale, zilte kom verspreiden, zit soms boven op zo'n struik een mannetje van nauwelijks elf centimeter dat eruitziet alsof er een sinaasappel in het landschap is gevallen: diepgeel met een warme oranje gloed over kruin en borst, en een zwart masker dat over de keel doorloopt. Het vrouwtje is een bleek grijsgeel vogeltje dat je gemakkelijk over het hoofd ziet. Beide zwerven met de regen mee, en waar het geregend heeft kunnen er honderden tegelijk zitten.

Oranje schijnpaapje (Epthianura aurifrons)
Foto: Christopher Watson ( http://www.comebirdwatching.blogspot.com/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De stem is klein, hoog en metaalachtig. De contactroep is een ijl, scherp raspje — vaak weergegeven als een hoog metalig tsjik of tsjeng — dat groepjes voortdurend herhalen terwijl ze laag over het zout van struik naar struik trekken. Het mannetje voegt daar in de broedtijd een kort, zacht en wat piepend liedje aan toe, meestal vanaf de top van een zoutstruik of tijdens een baltsvluchtje. In het open landschap zonder enige dekking is dat kleine geluid vaak het eerste teken dat een troep aanwezig is, nog voordat u de oranje vlekjes ziet bewegen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een piepklein, bolrond vogeltje van tien tot twaalf centimeter met dunne poten, een korte, vierkant afgesneden staart en een dun, recht en spits snaveltje. Het mannetje in broedkleed is diep cadmiumgeel met een oranje ondertoon, het sterkst op kruin en borst; de teugels en de keel zijn zwart, de stuit goudoranje en de staart heeft witte punten. Buiten de broedtijd is het mannetje matter en kan het zwart op de keel deels wegvallen. Het vrouwtje is veel bleker: grijsbruin gevlekt boven, een lichtgele wenkbrauwstreep, een witachtige keel, gespikkelde grijsbruine borst en zachtgele, fawnkleurige onderdelen. Doorslaggevend bij beide geslachten is het oog, dat roodbruin tot rood is — een kenmerk dat geen ander schijnpaapje deelt. De vogels lopen over de grond en gaan zelden hoger dan een halve meter.

Verwarrings­soorten

Vier schijnpaapjes en een gibbervogel (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien) delen ongeveer dezelfde bouw en hetzelfde droge land, en het onderscheid ligt bij de kleur en bij het oog. Het geel schijnpaapje (Epthianura crocea) is de naaste verwarring: dat mannetje is zuiver goudgeel met een gele keel en een zwarte halvemaan over de borst, terwijl het oranje schijnpaapje een oranje zweem heeft en juist zwart op de keel draagt en niet op de borst. Bij de bleke vrouwtjes van beide is het oog de sleutel: donker roodbruin bij E. aurifrons, bleek bij E. crocea. Het scharlaken schijnpaapje (Epthianura tricolor) heeft een rode in plaats van gele kruin, borst en stuit en een zwart masker rond het oog bij een witte keel; het maskerschijnpaapje (Epthianura albifrons) is wit met een zwarte band en heeft geen geel. Het nauw verwante woestijnschijnpaapje (Ashbyia lovensis) heeft eveneens een geel voorhoofd en gele onderdelen, maar mist het zwarte masker en de zwarte keel volledig, heeft een grijze kruin en een bleek oog, en houdt zich aan de kiezelvlakte in plaats van aan de zoutstruik. Ook de leefgebieden helpen: E. crocea kiest natte grond, E. aurifrons juist de droge zilte kom.

Leefgebied

Lage, boomloze struikvlakten van het aride en semi-aride binnenland, vrijwel altijd op zilte bodem: saltbush en bluebush, samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib) rond zoutpannen en zoutmeren, en schaars begroeide kleivlakten. Af en toe bereikt de soort de tropen of de kust. De vogels foerageren lopend op de grond of vanaf lage struiken en eten vrijwel uitsluitend ongewervelden, vooral insecten en spinnen. Ze zijn uitgesproken nomadisch en gezellig: meestal in paren of kleine troepjes, maar na goede regens zijn groepen van meer dan vierhonderd vogels vastgesteld, vaak gemengd met andere schijnpaapjes. Broeden gebeurt opportunistisch, met een zwaartepunt van augustus tot november maar het hele jaar door als het weer meezit; het vrouwtje bouwt een net kommetje laag in een struik, er liggen drie tot vier gespikkelde eieren, beide ouders broeden ongeveer elf dagen en de jongen vliegen na een dag of tien uit. Drie broedsels in één jaar zijn geen uitzondering.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in Australië en beperkt tot het droge en halfdroge binnenland: van centraal en zuidoostelijk West-Australië oostwaarts tot westelijk Queensland en zuidwaarts tot noordwestelijk Victoria, met de kern in de zoutmeerbekkens van het binnenland. Door de sterke nomadiek verspringt het beeld van jaar tot jaar: in droge jaren trekken de vogels samen bij de weinige plekken die nog wat leven houden, na regens waaieren ze ver uit. De soort ontbreekt op Tasmanië en komt niet voor in Nieuw-Zeeland.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in het binnenland langzaam langs een saltbush- of samphirevlakte en let op de toppen van de struiken: een oranje mannetje verraadt zich van ver tegen het grijsgroen, terwijl het vrouwtje pas opvalt als het beweegt. Waar er één zit, zitten er meer, want de soort is vrijwel altijd in gezelschap. Kijk bij twijfel tussen oranje en geel schijnpaapje niet naar de kleurnuance maar naar twee dingen: staat het zwart op de keel of lager op de borst, en is het oog rood of bleek. Na een regenbui in het binnenland zijn de kansen het grootst; in een droog jaar kan een vertrouwde vlakte volledig leeg zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een groot areaal en een populatie die niet in een zorgelijke trend zit. Het leefgebied van deze soort — zilte struikvlakte die voor landbouw weinig waard is — is minder aangetast dan de meeste Australische biotopen, al doen overbegrazing door vee, geiten en konijnen en het oprukken van uitheemse kruiden op plaatsen afbreuk aan de struiklaag waarin de soort nestelt. Omdat de vogels op of vlak boven de grond broeden zijn katten en vossen een blijvend risico. De grootste onzekerheid is de waterhuishouding van het binnenland: de soort hangt van onregelmatige regens af en reageert daar snel op, wat haar veerkrachtig maakt maar ook gevoelig voor lange droogtes.

Wetenschappelijke naam

Epthianura aurifrons | Gould, 1838

John Gould beschreef de soort in 1838 als Ephthianura aurifrons, naar een vogel uit het binnenland van Nieuw-Zuid-Wales; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want ze is altijd in dit geslacht gebleven, dat Gould in hetzelfde jaar opstelde. De geslachtsnaam Epthianura wordt doorgaans verklaard uit het Griekse oura, 'staart', met een voorvoegsel dat als 'verfijnd' of als 'verschrompeld' wordt gelezen — een verwijzing naar de korte staart. Het epitheton aurifrons komt van het Latijnse aurum, 'goud', en frons, 'voorhoofd'. De Nederlandse naam oranje schijnpaapje, de Engelse Orange Chat en de Spaanse eptianuro naranja kiezen alle voor de veldkleur in plaats van voor het gouden voorhoofd uit de wetenschappelijke naam. 'Schijnpaapje' herinnert aan de paapjes van Eurazië, waarmee deze honingeters niet verwant zijn.