Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Geel schijnpaapje
Geel schijnpaapje | Epthianura crocea
Yellow Chat | Eptianuro amarillo
Het geel schijnpaapje is het schaarste en het meest verborgen lid van een groepje kleine, felgekleurde honingeters die hun leven op de grond slijten. Het mannetje is goudgeel van voorhoofd tot staartwortel, met een scherpe zwarte halvemaan over de borst; het vrouwtje is dezelfde vogel in waterverf, bleker en zonder band. Anders dan zijn verwanten houdt hij niet van de droge zoutvlakte maar van natte grond: kwelderplassen, rietkragen, de groene randen van artesische boorafvoeren. Wie hem wil zien moet dus niet de woestijn in, maar naar de modder.
Van deze soort bestaat geen vrij gelicentieerde foto van een levende wilde vogel. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Geluid
De stem is klein en metaalachtig, zoals bij alle schijnpaapjes: een hoog, kort tsjing of tang dat als contactroep tussen de vogels van een groepje heen en weer gaat terwijl ze door de zoutstruiken lopen. Daarnaast is er een zachte, wat rommelende babbelzang van het mannetje vanaf een uitstekende stengel, en bij verstoring een hard, raspend gekner. Boven het geruis van riet en het gezoem van insecten op een moerasvlakte draagt het geluid nauwelijks; het is eerder het signaal dat verraadt dat er meer vogels in de buurt zijn dan de één die u ziet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een piepklein, bolrond vogeltje van ongeveer elf centimeter met een korte staart, opvallend lange poten en tenen en een fijn, recht en spits snaveltje. Het mannetje in broedkleed is helder goudgeel op voorhoofd, gezicht, keel en de gehele onderdelen, met een smalle, scherp afgetekende zwarte halvemaan dwars over de borst; de bovendelen zijn olijfgrijs tot geelbruin en de zwarte staart heeft gele punten. In vlucht valt een geel stuitvlak op. Het vrouwtje heeft hetzelfde patroon maar veel bleker geel en mist de borstband geheel; jonge vogels zijn grijsbruin met alleen een vage gele waas op de buik. Het oog is bleek. De vogel loopt en rent over de natte bodem en gaat maar zelden hoger dan de top van een zoutstruik of een rietstengel.
Verwarringssoorten
Binnen de schijnpaapjes is de kleur doorslaggevend. Het oranje schijnpaapje (Epthianura aurifrons) is de lastigste: het mannetje is dieper oranjegeel met een zwarte teugel én zwarte keel, terwijl het gele juist een gele keel heeft met de zwarte band lager op de borst. Bij de vrouwtjes helpt het oog: E. aurifrons heeft in beide geslachten een donker roodbruine iris, het geel schijnpaapje een bleke. Het scharlaken schijnpaapje (Epthianura tricolor) heeft een rode kruin, borst en stuit en een zwart oogmasker; het maskerschijnpaapje (Epthianura albifrons) is wit met een zwarte borstband en heeft geen spoor van geel. Nauw verwant is verder het woestijnschijnpaapje (Ashbyia lovensis), dat eveneens geel voorhoofd en onderdelen heeft en ook een bleek oog: dat verschilt door het ontbreken van elke borstband, de grijze kruin en vooral het leefgebied, kale gibbervlakte (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien) in plaats van natte kwelder. Het leefgebied is trouwens het beste eerste filter: geen ander schijnpaapje kiest zo consequent natte, begroeide grond.
Leefgebied
Moerassige vlakten met zoutstruik, ruig gras of lisdodde, vrijwel altijd op zilte bodem: het achterland van mariene lagunes, de randen van kwelders en samphirevlakten (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib), en in het binnenland de groene linten die ontstaan rond de afvoergoten van artesische boorputten. De vogel zoekt zijn voedsel lopend in de vochtige bodem en in ondiep water; de lange poten en tenen passen daarbij. Het menu bestaat vrijwel geheel uit insecten en andere kleine ongewervelden, ondanks de borsteltong die de familie kenmerkt. Groepjes van twee tot tien vogels zijn gewoon. Het nest is een kommetje laag bij de grond in een samphirestruik of dicht gras, met twee tot drie wit tot roze eieren met roodbruine vlekken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Sterk versnipperd over noordelijk en binnenlands Australië, met kernen in de Kimberley, de Top End rond de Alligator Rivers, het gebied van de Golf van Carpentaria, delen van westelijk en centraal Queensland en noordoostelijk Zuid-Australië, plus geïsoleerde kolonies aan de kust van Midden-Queensland. Er worden drie ondersoorten onderscheiden: E. c. crocea van de Kimberley tot de Golf, E. c. tunneyi op de overstromingsvlakten tussen de Adelaide River en de East Alligator River, en E. c. macgregori op de kustvlakten van Midden-Queensland. De vogel komt niet voor in Nieuw-Zeeland.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek gericht op de overgang tussen open modder en dichte, lage begroeiing: de rand van een samphirevlakte, een rietkraag bij een lagune, of het groene spoor onder een boorafvoer in het droge binnenland. Loop langzaam en let op beweging op kniehoogte in plaats van in de struik: de vogels rennen als muizen weg en klimmen pas op een stengel als u stilstaat. Het hoge, metalige tsjing is het betrouwbaarste teken dat er een groepje zit. Bedenk dat de soort nomadisch is en jarenlang uit een geschikt ogend terrein weg kan blijven; een mislukte zoektocht zegt weinig over het gebied.
Staat van instandhouding
Op soortniveau niet bedreigd (LC), maar dat cijfer verbergt een zorgelijke werkelijkheid, want de soort bestaat uit kleine, ver uiteen liggende populaties op een biotoop dat overal onder druk staat. De Capricorn-ondersoort E. c. macgregori van Midden-Queensland gold lange tijd als uitgestorven tot in 1991 een kleine populatie werd teruggevonden; de resterende tweehonderd tot driehonderd vogels leven op Curtis Island, in de Fitzroy-delta en rond Broad Sound, op mariene vlakten die grotendeels minder dan vijf meter boven zeeniveau liggen, en worden bedreigd door veranderde waterhuishouding, verruiging, uitheemse planten, varkens, katten en vossen en door de zeespiegelstijging. De ondersoort E. c. tunneyi van de Alligator Rivers geldt eveneens als bedreigd; daar zijn wroetende verwilderde varkens, buffels, onkruid, gewijzigde brandregimes en het zout dat steeds verder landinwaarts dringt de voornaamste oorzaken. Aan beide fronten loopt herstelwerk met rangers, traditionele eigenaren en onderzoekers.
Wetenschappelijke naam
Epthianura crocea | Castelnau & Ramsay, 1877
Het geslacht Epthianura werd in 1838 door John Gould opgesteld; de soort zelf werd pas in 1877 beschreven door François de Castelnau en Edward Pierson Ramsay, naar een vogel van de Norman River aan de Golf van Carpentaria, en auteurs en jaartal staan daarom zonder haakjes. De geslachtsnaam wordt meestal teruggevoerd op het Griekse oura, 'staart', voorafgegaan door een element dat als 'verfijnd' of juist als 'wegkwijnend, verschrompeld' wordt gelezen — hoe dan ook een verwijzing naar de opvallend korte staart van deze vogels. Het epitheton crocea is het Latijnse woord voor saffraan- of goudgeel. De Nederlandse naam geel schijnpaapje, de Engelse Yellow Chat en de Spaanse eptianuro amarillo zeggen alle hetzelfde: het is de gele van het groepje. Het woord 'schijnpaapje' verwijst naar de gelijkenis met de paapjes en tapuiten van het noordelijk halfrond, waarmee deze vogels in het geheel niet verwant zijn.



