Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Scharlaken schijnpaapje
Scharlaken schijnpaapje | Epthianura tricolor
Crimson Chat | Eptianuro tricolor
Van alle kleine vogels van het droge Australische binnenland is het scharlaken schijnpaapje de meest theatrale. Het mannetje draagt een vuurrode kruin, borst en stuit, een zwart masker over het oog en een spierwitte keel; het geheel zit op een bruin, muisachtig lijfje van nauwelijks twaalf centimeter dat over de rode grond rent in plaats van huppelt. De soort volgt de regen: jarenlang kan een streek leeg zijn en dan opeens vol zitten met broedende paren. Oude namen als 'saltbush canary' geven goed weer hoe de vogel bij de kolonisten van het binnenland bekendstond.
Geluid
Klein en metalig, zoals bij alle schijnpaapjes. Het gewone contactgeluid is een scherp, hoog tsjek-tsjek dat groepjes heen en weer sturen terwijl ze over de grond verspreid lopen, en daarnaast klinkt een ijl, zacht en repeterend deuntje van het mannetje, vaak vanaf de top van een struik of tijdens een korte, trage baltsvlucht. Bij verstoring bij het nest gaat dat over in een hard, raspend gekner. Op een kale vlakte draagt het niet ver; het is een geluid dat je pas opmerkt als je al in de goede struik kijkt.
Opname: Tom Tarrant — CC BY-NC-SA 3.0 · Thomson's Creek site, Sturt National Park (near Tibooburra), New South Wales, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een klein, rondborstig vogeltje van elf tot dertien centimeter met lange dunne poten, een korte staart en een kort, dun en licht omlaag gebogen snaveltje. Het mannetje in broedkleed is onmiskenbaar: helder scharlakenrood op kruin, borst, buik en stuit, een zwart masker rond het oog, een zuiver witte keel, donkerbruine bovendelen en zwartige vleugels met lichte vleugelstrepen. Het vrouwtje en de jonge vogel zijn veel valer: bruin boven, wit op de keel, met een roze tot rossige waas over de onderdelen en een zweem van rood op de stuit. De iris is bleek. Het meest verraderlijke kenmerk is het gedrag: deze vogel lóópt over de grond, hij huppelt niet, en hij blijft vrijwel altijd op of vlak boven de bodem.
Verwarringssoorten
Binnen het geslacht scheidt de kleur de soorten goed. Het oranje schijnpaapje (Epthianura aurifrons) heeft geel-oranje in plaats van rood en een zwarte keel waar het scharlaken juist wit is; bij de doffe vrouwtjes ligt het verschil in de iris, donker roodbruin bij E. aurifrons en bleek bij E. tricolor, en in de rossige zweem op de onderdelen van dit laatste. Het geel schijnpaapje (Epthianura crocea) is geel met een zwarte borstband en kiest natte grond, terwijl deze soort de droge vlakte houdt. Het maskerschijnpaapje (Epthianura albifrons) is wit met een zwarte borst- en nekband; het vrouwtje daarvan lijkt op dat van het scharlaken schijnpaapje, maar mist de roze waas en de rode zweem op de stuit en toont meestal nog een spoor van de donkere band. Nauw verwant is verder het woestijnschijnpaapje (Ashbyia lovensis), geel van voorhoofd en buik, zonder masker en gebonden aan gibbervlakte (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien). Buiten de familie is de grootste valkuil het mannetje van de roodkapvliegenvanger (Petroica goodenovii), dat eveneens rood en zwart is: die heeft een zwárte keel, een korter snaveltje en opvallend wit in de vleugel, en hij zit rechtop op een tak in plaats van te lopen.
Leefgebied
Open, aride en semi-aride land met lage struiken: saltbush- (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) en bluebushvlakten (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland), samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib), acaciastruweel, duinvelden, spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) met verspreide struiken en graslanden, plaatselijk ook kuststruweel. De vogel foerageert vooral lopend op de grond en neemt bijna uitsluitend insecten en spinnen; met de borsteltong die de familie kenmerkt haalt hij daarnaast af en toe nectar uit bloeiende struiken. Buiten de broedtijd zijn losse troepjes de regel, vaak samen met andere schijnpaapjes. Broeden gebeurt van juli tot december, aansluitend op regen: beide ouders bouwen het kleine, ronde graskommetje laag in een struik, er liggen twee tot vier roze-witte, roodbruin gespikkelde eieren, en zowel de broedduur als de nestjongenperiode duurt ongeveer twee weken. Bij gevaar leiden de ouders een indringer weg door een gebroken vleugel voor te wenden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in Australië, verspreid over het droge binnenland van centraal en westelijk Australië: van de kust van West-Australië oostwaarts tot de westhelling van het Groot Australisch Scheidingsgebergte en zuidwaarts tot de mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) van noordwestelijk Victoria en de kust van Zuid-Australië. Door de sterke nomadiek ligt de grens nooit vast: in natte jaren stoot de soort ver buiten het kerngebied door, tot zelfs aan de oostkust en in het zuiden, om daarna weer jaren weg te blijven. Ze ontbreekt op Tasmanië en komt niet voor in Nieuw-Zeeland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Reis in het binnenland kort na een regenperiode, want dan is de kans op een broedende kolonie het grootst; in een droog jaar kan hetzelfde terrein volstrekt leeg zijn. Kijk tijdens het rijden naar de toppen van lage struiken: het rood van het mannetje springt er meteen uit. Verlaat je niet op een fladderend rood vlekje langs de weg, want dat kan ook een roodkapvliegenvanger zijn; het schijnpaapje landt op de grond en gaat lopen, de vliegenvanger blijft op een takje zitten wippen. Loop je naar een nest toe en gaat een ouder met een slepende vleugel voor je uit, ga dan terug: dat is een afleidingsmanoeuvre en het nest ligt vlak achter je.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een zeer groot areaal in een deel van Australië waar de landbouwdruk gering is. Het grootste risico voor deze soort zit in het nest: het staat laag in een struik of op de grond, en katten en vossen halen er jongen uit. Overbegrazing door vee, geiten en konijnen dunt bovendien de lage struiklaag uit waarin de vogel bouwt en foerageert. Daar staat tegenover dat de soort in hoge mate nomadisch is en zeer snel op regen reageert, met tot drie broedsels achter elkaar in een goed seizoen, waardoor plaatselijke tegenslagen doorgaans snel worden ingehaald. De lange, diepe droogtes die in het binnenland horen zijn dan ook geen bedreiging maar een normale schommeling in het bestaan van deze vogel.
Wetenschappelijke naam
Epthianura tricolor | Gould, 1841
John Gould beschreef de soort in 1841 als Ephthianura tricolor, naar een vogel uit Zuid-Australië; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want ze is altijd in dit geslacht gebleven. Epthianura, eveneens van Gould, wordt gewoonlijk verklaard uit het Griekse oura, 'staart', met een voorvoegsel dat als 'verfijnd' of als 'verschrompeld' wordt gelezen, en verwijst zo naar de korte staart. Het epitheton tricolor is Latijn voor 'driekleurig' en doelt op de combinatie rood, zwart en wit van het mannetje. De Nederlandse naam scharlaken schijnpaapje en de Engelse Crimson Chat kiezen voor het rood, terwijl de Spaanse naam eptianuro tricolor het wetenschappelijke epitheton volgt. In Australië gingen ook 'tricoloured chat' en het volkse 'saltbush canary' rond. 'Schijnpaapje' verwijst naar de gelijkenis met de paapjes van Eurazië; verwantschap is er niet, want dit is een honingeter.



