Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Palmtortel
Palmtortel | Spilopelia senegalensis
Laughing Dove | Tórtola senegalesa
De palmtortel is een Afrikaanse duif die al meer dan een eeuw in Perth woont: klein, warm roze-bruin, met in plaats van een halsband een geschakeerd roodbruin-en-zwart veld langs de zijhals, en met een rollend gegrinnik waaraan hij zijn Engelse naam 'laughing dove' dankt. U ziet hem op de stoep, bij de kippenren, op het parkgazon — vrijwel nooit in de bush.
Geluid
Een laag, rollend gegrinnik: koe-doe-doe-doe-doe, waarbij de sterkte eerst toeneemt en dan weer wegzakt. Het is precies dat golvende, binnensmondse lachje waaraan de soort haar Engelse naam ontleent. Hij roept het hele jaar door, vanaf een dakrand, een draad of een lage tak, en vaak antwoorden er in een straat meerdere vogels tegelijk.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een kleine, compacte tortel van 25 tot 27 centimeter en ongeveer 100 gram. Kop, hals en borst zijn roze-bruin met een lila zweem; over de zijkant van de onderhals loopt een geschakeerd veld van gespleten roodbruine en zwarte veertjes — geen doorlopende halsband, maar een geblokt vlak. De vleugel toont een blauwgrijs paneel, de buik is witachtig, de staart is lang en trapsgewijs met witte punten aan de buitenste pennen, en de poten zijn rood. Het oog is donkerbruin. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels missen het halsveld maar hebben het grijze vleugelpaneel al.
Verwarringssoorten
De parelhalstortel (Spilopelia chinensis), eveneens ingevoerd, is groter en donkerder en heeft in de nek een zwart veld met witte stippen, plus een geel tot roze-wit oog. De barbarijse tortel (Streptopelia roseogrisea) is bleker, roomkleurig, en heeft een smalle, gladde zwarte halve halsband en een rood oog. Het halspatroon beslist alle drie in één blik: geschakeerd roodbruin bij de palmtortel, zwart met witte stippen bij de parelhalstortel, een effen smal zwart bandje bij de barbarijse tortel.
Leefgebied
Tuinen, parken, bermen, schoolpleinen, dorpspleinen, kippenrennen en boerenschuren: een vogel van bebouwd land. In inheemse bush komt hij nauwelijks, en dat is in het veld het praktische verschil met de meeste inheemse duiven. Hij foerageert op de grond op graan en zaad, vaak bij gemorst voer langs wegen en bij silo's, en drinkt geregeld.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartvenster van deze gids alleen in Australië, en daar alleen in het zuidwesten. De vogels werden in 1898 losgelaten bij de dierentuin van Perth, na invoer omstreeks 1889, en breidden zich vooral vanaf de jaren dertig snel uit. Nu is hij zeer talrijk in de buitenwijken van Perth en in de grotere tarwegordeldorpen, oostwaarts tot ongeveer Merredin en zuidwaarts tot Bunbury, met verder buiten die grens losse vogels langs wegen en spoorlijnen. De oostelijke staten en Nieuw-Zeeland hebben hem niet. Zijn oorspronkelijke areaal ligt in Afrika bezuiden de Sahara, het Midden-Oosten, Zuid-Azië en delen van Centraal-Azië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Perth hoeft u er niet voor te reizen: elk parkgazon, elke parkeerplaats en elke schoolomheining levert hem. Kijk naar de zíjkant van de hals, niet naar de nek — daar zit het verschil met de parelhalstortel. De broedpiek ligt in september tot november; het nest is een slordig plateautje van takjes in een straatboom of op een richel van een gebouw, met twee witte eieren die beide ouders in ongeveer zestien dagen uitbroeden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC) en in het oorspronkelijke areaal talrijk. In Australië is hij een exoot en wordt hij in alle staten als 'ingevoerd' geboekt. Schade aan de landbouw is gering; het West-Australische natuurbeheer tekent aan dat tortelduiven daar niet met inheemse vogels lijken te concurreren om nestplaats of voedsel, maar wel voer van kippen en volièrevogels wegpikken en overlast geven door bevuiling. Uitroeien is in het zuidwesten allang geen optie meer — de vogel zit er te vast — terwijl de andere staten losse vogels opsporen om nieuwe haarden voor te zijn.
Wetenschappelijke naam
Spilopelia senegalensis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de vogel in 1766 als Columba senegalensis; door de verhuizing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton wijst op Senegal, waar het type vandaan kwam. Het geslacht Spilopelia werd in 1873 ingevoerd door Sundevall, uit het Griekse spilos, 'vlek', en peleia, 'duif' — naar het geschakeerde halsveld; een moleculair onderzoek uit 2001 liet zien dat Streptopelia parafyletisch was, waarna deze naam weer in gebruik kwam. De Nederlandse naam palmtortel wordt gewoonlijk verklaard uit de voorliefde van de soort voor palmen en oases in Afrika en het Midden-Oosten.


