Alle soortenZangvogelsLijsters › Papoeagoudlijster

Papoeagoudlijster | Zoothera heinei

Russet-tailed Thrush | Zorzal de heine

De papoeagoudlijster is de inheemse lijster van het oostelijke Australische regenwoud: een stille, bruine vogel met een fijne donkere schubtekening op de onderdelen, die de hele dag zwijgend over de bosbodem in het bladstrooisel werkt en bij nadering niet wegvliegt maar wegloopt. Hij lijkt zo sterk op zijn grotere verwant, de Tasmaanse goudlijster, dat beide tot in de twintigste eeuw als één soort golden; in de streek waar ze samen voorkomen is de roep het enige waarop men ze werkelijk uit elkaar houdt.

Papoeagoudlijster (Zoothera heinei)
Foto: John Robert McPherson — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een vogel die weinig zegt maar ver draagt. De zang bestaat uit heldere, langgerekte fluittonen op twee verschillende toonhoogtes, die in een aanhoudend, gelijkmatig ritme worden herhaald met lange stiltes ertussen; hij zingt vooral in het eerste licht en in de schemering, van laag uit het bos, en bij bewolkt weer ook overdag. De zang van de Tasmaanse goudlijster is trager, lager en onregelmatiger van ritme, met noten die minder in vaste paren komen — dat verschil in ritme is in het overlapgebied het enige betrouwbare veldkenmerk. Verder is er een dun, hoog contactgeluid en een zacht geklok bij onraad; luid wordt de vogel zelden.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Tweeëntwintig tot vijfentwintig centimeter: een gedrongen, kortstaartige lijster met een vrij grote kop en een rechte, stevige snavel. De bovendelen zijn warm olijf- tot roestbruin, met de warmste, meest roestrode tint op de stuit en de buitenste staartpennen — de kleur waaraan de Engelse naam Russet-tailed Thrush ontleend is. De onderdelen zijn wit tot crème en over de borst en de flanken bedekt met een fijne, aaneengesloten donkere schubtekening, waarbij elke veer een donkere halvemaanvormige rand draagt. Het gezicht is vaalbruin met een lichte oogring en twee vage donkere strepen; de poten zijn vleeskleurig. De buitenste staartpennen dragen brede witte punten die vooral opvallen als de vogel wegvliegt. Man en vrouw zien er gelijk uit. De houding is laag en voorovergebogen, en de vogel beweegt in korte sprintjes met lange tussenpozen.

Verwarrings­soorten

De Tasmaanse goudlijster (Zoothera lunulata) is het echte probleem: zij overlapt in het regenwoud van zuidoostelijk Queensland en noordoostelijk Nieuw-Zuid-Wales, draagt dezelfde schubtekening en is alleen te scheiden op formaat (merkbaar groter en zwaarder), op de langere staart met smallere witte punten, op de koelere, minder roestige bovenzijde, en vooral op de zang, die trager en onregelmatiger is dan het gelijkmatige tweetonige fluiten van deze soort; waar beide voorkomen zit de papoeagoudlijster doorgaans lager en dichter bij de kust. Even belangrijk is het contrast met de geïntroduceerde zanglijster (Turdus philomelos), die in Australië alleen rond Melbourne stand houdt: die is van onderen bezet met losse, scherp afgetekende druppelvlekken in rijen in plaats van een aaneengesloten schubtekening, is van boven effen olijfbruin zonder roestige stuit, en leeft in tuinen en parken in plaats van op de bosbodem van het regenwoud. Gevlekt en in de tuin is de exoot; geschubd en in het bos de inheemse vogel. De gevlekte kwartellijster (Cinclosoma punctatum) van drogere bossen is gevlekt in plaats van geschubd en het mannetje heeft een zwarte keel.

Leefgebied

Tropisch en subtropisch regenwoud, vine thicket en nat eucalyptusbos met een regenwoudonderhout, telkens met een dichte kroonlaag en een diepe, vochtige strooisellaag. Daar foerageert de vogel op de bodem: hij schuift met de snavel bladeren opzij en graaft in de humus naar regenwormen, kevers, duizendpoten en slakken. Zijn schubtekening tegen het gevlekte licht van de bosbodem is zo doeltreffend dat de vogel meestal pas wordt opgemerkt wanneer hij beweegt. Hij houdt van de randen van paden en van kreekjes, waar de bodem het langst vochtig blijft. In het zuidelijke deel van het areaal zakken de vogels 's winters naar lagere, warmere bossen af.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Oostelijk Australië, van het Kaap York-schiereiland en de natte tropen rond Cairns langs de kust en de oostelijke bergketens naar het zuiden tot het noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales, ongeveer tot de Hunter. Buiten Australië komt de soort voor op Nieuw-Guinea en enkele omliggende eilanden; het is aan die verspreiding dat de Nederlandse naam papoeagoudlijster is ontleend, ook al is de vogel voor de meeste waarnemers in deze gids in de eerste plaats een Australische soort. In het zuidoosten van Queensland en het noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales deelt zij het bos met de Tasmaanse goudlijster. Echte trek is er niet, wel een hoogteverplaatsing naar lager bos in de winter.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Werk op het oor en in het eerste licht. Sta vóór zonsopgang stil op een regenwoudpad en wacht op het gelijkmatige, tweetonige fluiten met de lange stiltes; het is het enige moment waarop de soort zichzelf verraadt, en het is meteen het kenmerk dat haar van de Tasmaanse goudlijster scheidt. Zoek daarna langs de bosbodem naar beweging in plaats van naar kleur, want de vogel staat het grootste deel van de tijd volkomen stil. Als hij wegvliegt, let dan op de roestrode stuit en de brede witte staartpunten — vaak is dat alles wat men krijgt. Noteer bij elke waarneming in het overlapgebied of er gezang bij was: zonder geluid is een goudlijster in zuidoostelijk Queensland strikt genomen niet op naam te brengen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is over haar areaal wijdverspreid en plaatselijk algemeen, en profiteert ervan dat veel van het oostelijke regenwoud in nationale parken en wereldnatuurerfgoed ligt. Zij is wel strikt aan aaneengesloten bos met een dichte, vochtige strooisellaag gebonden en verdwijnt uit versnipperde bosjes, die te droog en te licht worden. Verwilderde varkens woelen de strooisellaag om waar zij haar voedsel zoekt, en katten en vossen bejagen vogels die zoveel tijd op de bodem doorbrengen. De zware bosbranden van 2019 en 2020 hebben in het zuidelijke deel van het areaal regenwoudranden aangetast. Geen van die factoren leidt op dit moment tot een landelijke achteruitgang. Doordat de soort zo lang met de Tasmaanse goudlijster is samengevat, zijn de oudere tellingen voor beide soorten onbetrouwbaar en is de feitelijke aantalsontwikkeling minder goed bekend dan bij vergelijkbare bosvogels.

Wetenschappelijke naam

Zoothera heinei | (Cabanis, 1851)

Jean Louis Cabanis beschreef de soort in 1851 in het Museum Heineanum, de catalogus van de vogelverzameling van Ferdinand Heine, onder de naam Oreocincla heinei; het epitheton eert die verzamelaar. Bij de beschrijving werd Japan als vindplaats opgegeven, wat een vergissing bleek: Cabanis corrigeerde dat in 1872 zelf naar noordelijk Australië, Queensland. De geslachtsnaam Zoothera is gevormd uit het Oudgriekse zoon ('dier') en theras ('jager'), naar de gewoonte om bodemdieren op te sporen. De Engelse naam Russet-tailed Thrush noemt de roestbruine staart, het Spaanse zorzal de Heine de verzamelaar. De Nederlandse naam papoeagoudlijster verwijst naar het deel van het areaal op Nieuw-Guinea en is voor een vogel die in deze gids vooral als Australische bosvogel optreedt enigszins op het verkeerde been zettend.