Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Zanglijster

Zanglijster | Turdus philomelos

Song Thrush | Zorzal común

De zanglijster van de Nieuw-Zeelandse tuinen is precies dezelfde vogel als die van de Europese: bruin van boven, roomwit met donkere druppelvlekken van onderen, en met de zang die in Europa de lente aankondigt. Hij hoort er alleen niet thuis. Tussen 1862 en de jaren tachtig van de negentiende eeuw lieten de acclimatisatiegenootschappen duizenden Britse zangvogels los om het nieuwe land vertrouwd te laten klinken, en van al die soorten heeft de zanglijster zich het sterkst uitgebreid: hij bezet vandaag heel Nieuw-Zeeland, van stadstuin tot inheems bos en tot ver op de buitenliggende eilanden.

Zanglijster (Turdus philomelos)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is het kenmerk van de soort en tegelijk het voornaamste determinatiemiddel. Hij bestaat uit korte, heldere, zeer uiteenlopende fluitmotieven, en elk motief wordt twee tot vier keer achter elkaar herhaald voordat het volgende komt — die herhaling is bij geen andere lijster zo systematisch en verraadt de vogel ook voor wie hem niet ziet. Hij zingt vanaf een hoge, open zitplaats, vroeg in de ochtend en lang in de avondschemering, en in Nieuw-Zeeland vrijwel het hele jaar door, met een piek van augustus tot december. De roep in de vlucht is een dun, kort tsiep; bij onraad klinkt een hard, ratelend tsjuk-tsjuk-tsjuk.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1180671

Opname: Astrid Cervantes — CC BY-NC-SA 4.0 · Arrondissement of Leuven (near Leuven), Vlaams-Brabant, Vlaams Gewest, Belgium · xeno-canto

Herkenning

Drieëntwintig centimeter: een middelgrote, rechtop staande lijster, slanker en korter dan een merel. De bovendelen zijn egaal warm olijfbruin zonder tekening. De onderzijde is roomwit tot lichtgeel en dicht bezet met kleine, scherp afgetekende zwartbruine vlekken die de vorm van een omgekeerde druppel of pijlpunt hebben en in nette rijen staan; op de borstzijden en de flanken ligt een warme okergele waas. Het gezicht is vaal met een lichte oogring en een donkere streep langs de wangbegrenzing. De snavel is donker met een gelige basis, de poten vleeskleurig. Onder de vleugel is de okergele okselstreek zichtbaar, vooral in de vlucht. Man en vrouw zien er gelijk uit.

Verwarrings­soorten

In Nieuw-Zeeland is er nauwelijks een echte concurrent: het vrouwtje van de merel (Turdus merula) is groter, donkerder en effener bruin en heeft hooguit een vage vlekking op de borst, nooit de scherpe druppelvlekken in rijen. De spreeuw en de treurmaina zijn kleiner en glanzend gespikkeld in plaats van bruin met vlekken. Belangrijker voor deze gids is het contrast met Australië: daar staat tegenover deze geïntroduceerde Europese lijster de inheemse papoeagoudlijster (Zoothera heinei), die van boven roestbruin is en van onderen geen losse druppelvlekken draagt maar een fijne, aaneengesloten donkere schubtekening, en die de bosbodem van het regenwoud bewoont in plaats van gazons en tuinen. Dezelfde schubtekening draagt de Tasmaanse goudlijster (Zoothera lunulata), die groter en langstaartiger is. Het onderscheid is dus niet alleen een verenkleedkwestie maar ook een kwestie van herkomst: gevlekt en in de tuin is de geïntroduceerde soort, geschubd en in het bos de inheemse.

Leefgebied

Tuinen en parken, stads- en dorpsranden, boomgaarden en akkerranden, heggen, houtwallen, dennenaanplant en de randen van inheems bos; in Nieuw-Zeeland dringt de soort dieper in gaaf inheems bos door dan zij in Europa ooit zou doen. Zij foerageert op de grond, hipt en staat stil met de kop scheef om naar wormen te luisteren, en eet daarnaast slakken, insecten en in de nazomer veel bessen. Kenmerkend is het aambeeld: de vogel neemt een huisjesslak mee naar een vaste steen of tegel en slaat de schelp daar kapot, zodat een hoopje scherven achterblijft — precies hetzelfde gedrag als bij de pitta's in Australië, en een van de weinige gevallen van gereedschapsgebruik onder zangvogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Van oorsprong Europa, West-Azië en Noordwest-Afrika. In Australazië is de soort geheel het gevolg van invoer. De Nieuw-Zeelandse populatie gaat terug op loslatingen door de acclimatisatiegenootschappen van Nelson, Canterbury, Otago, Wellington en Auckland vanaf 1862; binnen enkele decennia was de vogel over beide hoofdeilanden verspreid, en hij bereikte later ook de Chathams, Stewarteiland, de Kermadecs, de Snares en de Auckland- en Campbelleilanden. In Australië verliep dezelfde onderneming veel minder voorspoedig: daar houdt de soort zich alleen in de oudere buitenwijken van Melbourne en omgeving staande, in een klein en niet uitbreidend gebied. Trek is er in Australazië niet; de vogels zijn standvogel, met hooguit wat zwerven in de winter.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In Nieuw-Zeeland is dit een tuinvogel die men niet hoeft te zoeken maar in de ochtend hoort. Wie hem wil leren herkennen, moet vooral op de herhaling letten: elk motief twee tot vier keer, en dan een nieuw motief. Kijk op het gazon naar de houding — de zanglijster loopt in korte sprintjes, staat dan stokstijf met scheve kop stil en pikt toe — en zoek langs tuinmuurtjes en tegelpaden naar de aambeeldsteen met de hoop scherven. In Australië moet men er juist niet naar zoeken: buiten Melbourne is een bruine lijster met druppelvlekken daar zo onwaarschijnlijk dat een goede waarneming uitzonderlijk is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). In Nieuw-Zeeland en Australië is de zanglijster een gevestigde exoot en geen doel van bescherming; in Nieuw-Zeeland valt hij niet onder de wettelijke bescherming die de inheemse vogels genieten. De soort veroorzaakt schade aan fruit in boomgaarden en tuinen, en belangrijker voor het natuurbeheer: zij verspreidt met haar uitwerpselen de zaden van invasieve struiken als lijsterbes, hulst en verschillende vuurdoorns het inheemse bos in, waardoor zij mee vormgeeft aan de verruiging van bosranden. Hoe zwaar zij op inheemse vogels drukt door concurrentie om ongewervelden is niet goed vastgesteld. In het oorspronkelijke Europese areaal is de soort in verschillende landen juist achteruitgegaan door intensivering van de landbouw — een verschil dat de vogel in deze gids een dubbele reputatie geeft.

Wetenschappelijke naam

Turdus philomelos | Brehm, 1831

Christian Ludwig Brehm beschreef de soort in 1831 in zijn Handbuch der Naturgeschichte aller Vögel Deutschlands. Turdus is eenvoudig het Latijnse woord voor lijster. Het epitheton philomelos verwijst naar Philomela uit de Griekse mythologie, die volgens de overlevering in een nachtegaal werd veranderd, en betekent in de praktijk 'zangminnend'. De Nederlandse naam zanglijster, de Engelse Song Thrush en de Spaanse zorzal común benoemen alle de zang, of in het Spaanse geval de algemeenheid. De naam die de soort in Nieuw-Zeeland draagt is er een uit het land van herkomst, meegereisd met de vogels zelf: er bestaat geen Maori-naam die uit de tijd vóór de introductie stamt, wat bij inheemse Nieuw-Zeelandse vogels wel altijd het geval is.