Alle soorten › Zangvogels › Bastaardhoningvogels › Papoeahoningvogel

Papoeahoningvogel | Dicaeum geelvinkianum

Red-capped Flowerpecker | Picaflores capirrojo

De papoeahoningvogel is een dwaalgast: een minuscule, kortstaartige boomvogel van Nieuw-Guinea die af en toe de Straat Torres oversteekt en op de noordelijkste Australische eilanden en in het uiterste noorden van Kaap York opduikt. Er zijn hier maar enkele tientallen gevallen bekend, en de meeste jaren wordt hij helemaal niet gezien. Het mannetje draagt een rode pet, een rode stuit en een rode vlek op de borst.

Papoeahoningvogel (Dicaeum geelvinkianum)
Foto: Jay Pruett — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, metaalachtig tsjik dat hij hoog uit het bladerdak laat vallen en in korte reeksen herhaalt, meestal het enige waaraan je hem opmerkt; het geluid is zo hoog en zo droog dat het gemakkelijk voor een insect wordt gehouden. De zang is een dun, haastig gesjirp van enkele seconden, zonder melodie en zonder kracht. Vliegende vogels roepen aanhoudend, wat een verplaatsing over de kruinen verraadt.

Luister: VluchtroepXC1026151

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · Oro Bay Rural LLG (near Pongani), Ijivitari District, Northern Province, Papua New Guinea · xeno-canto

Herkenning

Een vogeltje van negen centimeter, met een korte, kegelvormige snavel en een staart die nauwelijks voorbij de vleugelpunten komt, zodat het dier bijna rond oogt. Het mannetje is olijfgrijs tot donker van boven met een scharlaken kruin, een scharlaken stuit en een rode vlek midden op de grijswitte borst. Het vrouwtje mist de rode kruin en is dof olijfgrijs, met alleen een rossige zweem op de stuit. Beide seksen bewegen snel en rusteloos en blijven hoog in de boom.

Verwarrings­soorten

De roodstuithoningvogel (Dicaeum hirundinaceum) is de enige verwant die in Australië algemeen is en overlapt in het noorden: het mannetje is glanzend blauwzwart van boven met een rode keel en rode onderstaartdekveren, maar heeft géén rode kruin. De vrouwtjes van beide soorten zijn grijs en nauwelijks te scheiden; laat een grijze vogel dan liever onbenoemd. De scharlaken dwerghoningeter (Myzomela sanguinolenta) is groter, heeft een gebogen snavel en een rode kop én rug.

Leefgebied

Moessonbos en lianenstruweel, mangrove en de randen van tropisch regenwoud, tot in secundair bos en tuinen. Hij volgt bloeiende en vruchtdragende maretakken, want dat is zijn hoofdvoedsel, en verplaatst zich tussen de bomen waar die groeien. De vogel blijft in de kroon en komt zelden lager dan een paar meter boven de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

De soort is endemisch in Nieuw-Guinea en de eilanden eromheen en komt daar overal in het laagland voor. In Australasië gaat het uitsluitend om dwaalgasten, van de noordelijkste eilanden van de Straat Torres — die op enkele kilometers van de Papoease kust liggen — en van het uiterste noorden van Kaap York. Het zijn losse gevallen zonder patroon; in de meeste jaren is er geen enkele waarneming.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wie hem wil zien moet in de noordelijke Straat Torres zijn en daar de bloeiende maretakken in mangrove en lianenstruweel afzoeken. Werk op geluid: het scherpe tsjik uit de kruin is bijna altijd het eerste teken. Kijk daarna gericht naar kruin en stuit, want alleen die twee vlakken scheiden hem betrouwbaar van de roodstuithoningvogel; een grijs vrouwtje is beter niet op naam te brengen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is talrijk en wijdverspreid in het Nieuw-Guinese laagland, en de aantallen worden als stabiel beschouwd. Voor Australasië is er niets in stand te houden: het gaat om zwervers uit een populatie die buiten dit gebied leeft. Wel geldt dat de ontbossing van het laagland van zuidelijk Nieuw-Guinea op termijn ook de bron van deze dwaalgasten raakt.

Wetenschappelijke naam

Dicaeum geelvinkianum | Meyer, 1874

Meyer beschreef de vogel in 1874 al in het geslacht Dicaeum, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht werd in 1816 ingevoerd door Cuvier; de naam gaat terug op het Griekse dikaion, een Indiase vogel die Aelianus noemt. geelvinkianum verwijst naar de Geelvinkbaai in het noordwesten van Nieuw-Guinea, die op haar beurt is genoemd naar het Nederlandse schip de Geelvinck; de typelocatie ligt op de eilanden in die baai.