Alle soortenZangvogelsElfjes › Pilbaragrassluiper

Pilbaragrassluiper | Amytornis whitei

Pilbara Grasswren | Maluro de Pilbara

De pilbaragrassluiper is de grassluiper van de rode rotslandschappen van de Pilbara in het noordwesten van West-Australië: een langstaartig, roestbruin vogeltje dat tussen spinifexpollen op steile, steenpuinbedekte hellingen en in kloofwanden leeft. Hij stond lang als westelijke ondersoort van de witkeelgrassluiper te boek en is pas recent als aparte soort erkend.

Van deze soort bestaat geen vrij gelicentieerde foto van een levende wilde vogel. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Geluid

Een hoog, dun en snel ratelend liedje van enkele seconden, dat in de open rotsige hellingen ver draagt maar door zijn toonhoogte gemakkelijk over het hoofd wordt gehoord; ouderen horen het vaak niet meer. Het contactgeluid is een fijn, scherp tsip. Bij verstoring klinken droge, korte tjek-noten terwijl de vogels tussen de stenen wegrennen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Veertien tot zestien centimeter, waarvan de staart ruim de helft; de staart wordt rennend omhoog gehouden en bij het schuilen plat achter het lijf gedragen. De bovendelen zijn roodbruin en fijn wit gestreept, elke streep zwart omzoomd. De keel is wit en scherp begrensd; het mannetje heeft een zwarte baardstreep, het vrouwtje niet, maar wel roestbruine flanken. Snavel fijn en donker, poten lang. In de felle Pilbara-zon oogt de vogel vaak lichter en zandkleuriger dan hij in de hand is.

Verwarrings­soorten

Binnen de striatus-groep is het verspreidingsgebied het enige praktische onderscheid: de duingrassluiper (Amytornis oweni), eveneens een recente afsplitsing, zit in de spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) van de zandduinen en zandvlakten van het binnenland en niet op rotshellingen, en de witkeelgrassluiper (Amytornis striatus) zit ruim duizend kilometer oostelijker. De bruine grassluiper (Amytornis purnelli) van de MacDonnell Ranges bewoont een vergelijkbaar rotsig spinifexlandschap maar is donkerder en veel zwakker gestreept en mist het scherpe zwart-witte keelpatroon. De westelijke grassluiper (Amytornis textilis) komt in dezelfde hoek van West-Australië voor, maar is groter en langer van staart, veel valer en effener, en leeft in acacia- en saltbushstruweel (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) in plaats van in spinifex op rots.

Leefgebied

Oude, dichte spinifexpollen (Triodia) op steenpuinhellingen, breakaways (lage, afbrokkelende tafelbergranden in het binnenland) en kloofwanden van de Hamersley Range, de Chichester Range en de omliggende rotsruggen. Hij heeft pollen nodig die tien jaar of langer niet gebrand hebben; kort na een brand verdwijnt hij uit een helling en keert pas terug als de pollen weer groot en gesloten zijn. Vlak spinifexland zonder stenen wordt gemeden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in de Pilbara in het noordwesten van West-Australië, van de omgeving van de Coongan River — waar het typeexemplaar vandaan komt — door de Chichester Range tot in de Hamersley Range en de Karijini-kloven. Standvogel met vaste terreinen; de populatie is versnipperd over aparte rotscomplexen en de vogels steken de vlakten daartussen nauwelijks over.

  • Jaarrond
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek op de onderste helft van een puinhelling waar de spinifexpollen kniehoog en gesloten staan, het liefst in het eerste uur na zonsopkomst. Sta stil bij de eerste dunne tsip en laat de vogels naar u toe werken; opjagen levert bijna altijd alleen een rennende schim op. Kloofmondingen en de bovenrand van breakaways zijn de beste plekken.

Staat van instandhouding

De IUCN heeft deze soort onder haar eigen naam nog niet beoordeeld; op de rode lijst valt zij nog onder de ruim opgevatte witkeelgrassluiper (Amytornis striatus), die als niet bedreigd geldt. De Pilbara-populatie is groter en beter verspreid dan die van de opaltongrassluiper, maar staat onder dezelfde druk: te frequente branden die oude spinifexpollen wegnemen, verwilderde katten, en plaatselijk mijnbouw die hele rotsruggen afgraaft. De soort is goed vertegenwoordigd in het Karijini National Park.

Wetenschappelijke naam

Amytornis whitei | Mathews, 1910

Gregory Mathews beschreef de vogel in 1910 naar een exemplaar van de Coongan River in het midwesten van Australië. Het epitheton whitei eert een lid van de Australische ornithologenfamilie White; de meeste vogels die Mathews rond 1910 zo noemde zijn opgedragen aan de verzamelaar en mecenas Henry Luke White (1860–1927), maar die toeschrijving is voor deze soort niet nagetrokken. Het geslacht heette eerst Amytis, naar een Perzische vorstin; omdat die naam al vergeven was, stelde Leonhard Stejneger in 1885 Amytornis voor, met het Griekse ornis (vogel). De Nederlandse naam verwijst naar de Pilbara, de ijzerertsregio waarin de soort leeft.