Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Zwart-witte grassluiper
Zwart-witte grassluiper | Amytornis woodwardi
White-throated Grasswren | Maluro gorjiblanco
De zwart-witte grassluiper is de grootste en opvallendst getekende grassluiper: een zware, langstaartige vogel met een zwart gezicht, een sneeuwwitte keel en een zwartbruine, wit gestreepte rug, die alleen leeft op het zandsteenplateau van Arnhemland in het noorden van het Noordelijk Territorium. Het is ook de grassluiper die er het slechtst voor staat: hij geldt als bedreigd en is uit een groot deel van Kakadu verdwenen.
Geluid
Voor een grassluiper een krachtig en gevarieerd geluid: een hoog, helder en trillend liedje dat tussen de zandsteenblokken weerkaatst en over een kloof heen te horen is. Daarnaast klinken scherpe, metalige tsjink-noten en een reeks droge alarmtikken als de vogels tussen de rotsen wegrennen. In de vroege ochtend zingen de vogels vanaf een blok of een kale rotsrichel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Twintig tot tweeëntwintig centimeter en zo'n vijfendertig gram: fors, met een zeer lange, vaak schuin omhoog gedragen staart. De kop is zwart rond oog en teugel, de keel en de bovenborst zijn zuiver wit en scherp afgezet — het opvallendste kenmerk op afstand. De bovendelen zijn donker zwartbruin met brede, duidelijke witte schachtstrepen, veel grover getekend dan bij de kleine spinifexsoorten. Buik en flanken zijn warm roodbruin. De poten zijn lang en zwaar; de vogel springt en rent van blok naar blok en vliegt vrijwel nooit.
Verwarringssoorten
Binnen het areaal is verwarring uitgesloten: geen andere grassluiper komt op het Arnhemland-plateau voor. De naaste verwant is Dorothy's grassluiper (Amytornis dorotheae), die enkele honderden kilometers oostelijker in het zandsteen rond de Golf van Carpentaria leeft; die is duidelijk kleiner en lichter, met minder zwart in het gezicht en een fijnere, minder contrastrijke streping. De zwarte grassluiper (Amytornis housei) bewoont een vergelijkbaar zandsteenlandschap maar ruim duizend kilometer westelijker, in de Kimberley, en is grotendeels zwart zonder witte keel. De kleine spinifexsoorten, zoals de witkeelgrassluiper (Amytornis striatus), zijn veel kleiner, roestbruin en fijn gestreept en komen hier niet voor.
Leefgebied
Zandsteenplateau en escarpment: velden van grote losse blokken, steenpuinhellingen en kloofwanden met daartussen oude spinifexpollen (Triodia). De vogel heeft beide nodig — de blokken als dekking en uitkijkpost, de pollen om in te foerageren en te nestelen. Waar de spinifex tussen de blokken is weggebrand, verdwijnt hij, ook al staat het steen er nog.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch op het zandsteenplateau van westelijk Arnhemland, van het escarpment in Kakadu National Park door het Arnhemland-plateau tot in het gebied rond Nitmiluk. Het areaal is klein en versnipperd over afzonderlijke plateaus en kloofstelsels. Standvogel, met vaste terreinen en zonder bekende trek of zwerfgedrag. Recente inventarisaties vonden de soort op veel vroegere plekken in Kakadu niet meer terug.
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in het eerste uur na zonsopkomst op de rand van een blokkenveld waar de spinifex tussen de stenen hoog en gesloten staat, en luister naar het heldere liedje dat tussen de rotsen weerkaatst. De vogels lopen over de bovenzijde van de blokken en verdwijnen bij onraad in een spleet; ga zitten en wacht rustig af. Terrein dat in het laatste droge seizoen gebrand heeft, kunt u overslaan.
Staat van instandhouding
Bedreigd. De soort is in korte tijd hard achteruitgegaan; in Kakadu National Park leverden herhaalde inventarisaties op veel historische plekken geen waarnemingen meer op. De oorzaak wordt vooral gezocht in het veranderde brandregime: de traditionele, kleinschalige vroege koele branden van de Aboriginal-eigenaren zijn over grote delen van het plateau vervangen door uitgestrekte, hete branden laat in het droge seizoen, die de oude spinifexpollen tussen de blokken in één keer wegnemen. Verwilderde katten, die in pas gebrand terrein makkelijk jagen, versterken het effect. Herstel van kleinschalig vroeg branden, uitgevoerd door de traditionele eigenaren zelf, is de belangrijkste maatregel.
Wetenschappelijke naam
Amytornis woodwardi | Hartert, 1905
Ernst Hartert beschreef de vogel in 1905 naar een exemplaar van de South Alligator River in het Noordelijk Territorium. Het epitheton woodwardi eert Bernard Henry Woodward, de eerste directeur van het Western Australian Museum. Het geslacht heette eerst Amytis, naar een Perzische vorstin; omdat die naam al vergeven was, stelde Leonhard Stejneger in 1885 Amytornis voor, met het Griekse ornis (vogel). De Nederlandse naam beschrijft het contrast van zwart gezicht en witte keel; de Engelse naam noemt alleen die keel.

