Alle soorten › Zangvogels › Paradijsvogels › Prachtgeweervogel
Prachtgeweervogel | Ptiloris magnificus
Magnificent Riflebird | Ave del paraíso goliazul
De grootste van de drie Australische geweervogels, en daarmee een paradijsvogel die tot op het Australische vasteland komt. Het mannetje is fluweelzwart met een metaalblauwgroen glanzend kruintje en borstschild, en spreidt bij de balts beide vleugels tegelijk tot een bijna gesloten cirkel rond zijn eigen kop, zodat het lijkt of de vogel achter een waaier verdwijnt.
Geluid
Een luid, ver dragend fluitsignaal van twee tonen, de tweede hoger en aangehouden, dat door het laagland-regenwoud kilometers ver te horen is en vaak het eerste teken van de soort vormt. Het mannetje roept vanaf een hoge, kale tak of een afgebroken stomp en herhaalt het signaal met lange tussenpozen, vooral in de vroege ochtend. Vrouwtjes en jonge vogels laten een hard, krassend geraas horen bij vruchtdragende bomen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het volwassen mannetje is diep fluweelzwart met een olijfgroene glans, met een metaalblauwgroen glanzend kruintje, een driehoekig irisererend borstschild dat onderaan door een donkere band wordt afgesloten, en irisererende middelste staartpennen; de flankveren zijn verlengd en worden bij de vertoning als een mantel uitgezet, en de binnenkant van de wijd geopende bek is fel geel. De snavel is opvallend lang en sterk gebogen, langer dan bij beide andere geweervogels. Het vrouwtje en de jonge vogel zijn heel anders: roodbruin op rug en vleugels, met een bleke wenkbrauwstreep en vuilwitte onderdelen die dicht met donkere dwarse pijlvlekken zijn getekend. De baltsvertoning is het beste kenmerk: het mannetje spreidt beide vleugels tegelijk tot een ronde waaier rond de kop en zwaait het lichaam ritmisch van links naar rechts, met klikkende geluiden.
Verwarringssoorten
De drie geweervogels van het geslacht Ptiloris delen hun areaal vrijwel niet: deze soort blijft op het schiereiland Kaap York, Victoria's geweervogel (Ptiloris victoriae) woont ruim vierhonderd kilometer zuidelijker in de natte tropen, en de schildgeweervogel (Ptiloris paradiseus) pas in het zuidoosten van Queensland en het noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales. Het areaal is daarmee het beste kenmerk; op uiterlijk is deze soort de grootste en langsnavelige. De vrouwtjes van de drie lijken sterk op elkaar en zijn buiten hun areaal niet met zekerheid te onderscheiden — dat is eerlijker gezegd dan een kenmerk verzinnen. Een zwart mannetje op afstand doet denken aan de spangdrongo (Dicrurus bracteatus), maar die heeft een gevorkte staart, een rood oog en een korte rechte snavel.
Leefgebied
Tropisch laaglandregenwoud, galerijbos langs de rivieren en de grotere blokken moessonbos en vine thicket van het schiereiland, van zeeniveau tot in het lage heuvelland. De vogel voedt zich met vruchten en met insecten die hij met de lange snavel uit schorsspleten, dood hout en epifytenpollen wrikt; hij hangt daarbij vaak ondersteboven aan een stam. De baltsplek is een hoge, kale stomp of dikke horizontale tak met vrij uitzicht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Wijdverbreid in het laagland van Nieuw-Guinea en op de Aru-eilanden; in Australië uitsluitend op het schiereiland Kaap York in het uiterste noordoosten van Queensland, met de bossen van het Iron Range- en McIlwraith-gebied als kerngebied. Standvogel zonder trek, wel met plaatselijke verplaatsingen naar vruchtdragende bomen. Het Australische deelareaal is klein en ligt geheel ten noorden van de natte tropen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de maanden oktober tot december naar het regenwoud van Kaap York en luister bij zonsopgang naar het tweetonige fluitsignaal; loop daarop af en zoek de kale stomp waarvandaan het komt. Blijf vervolgens stil staan: de vogel komt op vaste plekken terug. Bij vruchtdragende vijgen zijn vrouwtjes en jonge vogels doorgaans makkelijker te zien dan de veel schuwere zwarte mannetjes.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de soort is over Nieuw-Guinea wijdverbreid en daar plaatselijk talrijk. Het Australische deel van de populatie is klein en beperkt tot Kaap York, waar veranderende brandregimes aan de randen van het regenwoud en het oprukken van savannevuur in het vine thicket de belangrijkste zorg zijn. De kerngebieden liggen binnen nationale parken.
Wetenschappelijke naam
Ptiloris magnificus | (Vieillot, 1819)
Vieillot beschreef de soort in 1819 in een ander geslacht, zodat auteur en jaartal tussen haakjes staan. Ptiloris is gevormd uit Grieks ptilon (veer) en rhis (neusgat), naar de veertjes die de neusgaten bedekken. magnificus is Latijn voor 'prachtig'. Over de naam geweervogel bestaan twee verklaringen die naast elkaar in omloop zijn: het zwart met de fluwelen glans zou aan het uniform van een Britse scherpschutter herinneren, en de harde roep aan een geweerschot; welke van beide de oudste is, valt niet uit te maken. Sommige gezaghebbende lijsten splitsen de oostelijke Nieuw-Guinese vogels af als een aparte soort, Ptiloris intercedens; die splitsing wordt niet algemeen gevolgd en raakt de afbakening van de Australische vogels.

