Alle soorten › Zangvogels › Paradijsvogels › Trompetparadijskraai
Trompetparadijskraai | Phonygammus keraudrenii
Trumpet Manucode | Ave del paraíso trompetera
De trompetparadijskraai is de enige paradijsvogel van Australië die geheel zwart is en geen sierveren draagt: een compacte, glanzende vogel van het regenwoud van Kaap York, met een rood oog en twee opstaande veerhoorntjes op de kop. Zijn luchtpijp is tot een lange lus opgerold die onder de huid over de borstspier ligt, en daaraan dankt hij de diepe trompetstoot die zijn naam draagt.
Geluid
Het kenmerkgeluid is een laag, dreunend trompetten dat door het gesloten bos golft en waarvan de bron moeilijk te plaatsen is: een oplopende oe-oe-oeAAH, één of twee keer herhaald en dan lang stil. Daarnaast klinkt een schor, blaffend gekras bij ruzie om een vruchtdragende vijgenboom. Vogels roepen het meest in de vroege ochtend en in de aanloop naar het natte seizoen, van november tot februari.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen zwarte vogel van dertig centimeter, met een korte staart, brede vleugels en een zware zwarte snavel. Het verenkleed is niet dof maar diep glanzend, met blauwe, groene en paarse weerschijn die alleen in vol licht opkomt; in de schaduw oogt de vogel eenvoudig zwart. Twee smalle veerhoorntjes steken boven het oog uit en de nek- en borstveren zijn verlengd tot een losse manen. Het oog is helderrood, bij jonge vogels bruin. Het vrouwtje is kleiner en iets doffer.
Verwarringssoorten
In hetzelfde bos zijn de zwarte glanzende vogels vooral de australische kraai (Corvus orru) en de bonte klauwierkraai (Strepera graculina): de eerste is veel groter, heeft een wit oog en een lange staart, de tweede toont wit in staart en vleugel. Vrouwtjes van de kraaglijstervogel (Ptiloris magnificus) zijn bruin en gestreept en dus geen probleem; het mannetje daarvan is zwart maar heeft een blauwe borstschild en een lange kromme snavel. Doorslaggevend blijft de roep.
Leefgebied
Gesloten laaglandregenwoud en de kleinere moessonbossen en lianenstruwelen van het noorden, en de galerijbossen langs kreken die het regenwoud met elkaar verbinden. Hij houdt zich in de kroonlaag op en komt zelden lager dan tien meter. Waar vijgen dragen, is hij; in de droge tijd trekt hij naar de vochtigste stroken langs water, die ook dan groen blijven.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Australië alleen het noordelijke deel van het schiereiland Kaap York, ruwweg vanaf Coen noordwaarts, met Iron Range en het Lockerbie Scrub als de bekendste plekken. Daarbuiten komt hij wijdverbreid voor in het laagland van Nieuw-Guinea en op de Aru-eilanden en de D'Entrecasteaux-eilanden. Hij trekt niet, maar zwerft binnen het bos achter vruchtdragende bomen aan, zodat hij weken achtereen op één plek kan zitten en dan verdwijnt.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de vroege ochtend bij een dragende vijgenboom in Iron Range staan en wacht: de vogel komt naar de vrucht toe en verraadt zich met het trompetten voordat hij zichtbaar wordt. Kijk tegen de zon in naar de weerschijn en zoek de twee veerhoorntjes tegen de lucht; in de schaduw van het bladerdak is er van de glans niets te zien. Van november tot februari roept hij het vaakst.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het areaal is groot en het grootste deel ervan ligt in Nieuw-Guinea, waar het laaglandbos nog uitgestrekt is. De Australische populatie is klein en beperkt tot een handvol regenwoudblokken op Kaap York; die zijn grotendeels beschermd, maar wel kwetsbaar voor cyclonen, voor brand die vanaf de savanne in de bosrand bijt en voor het uitdunnen van het bos in het achterland.
Wetenschappelijke naam
Phonygammus keraudrenii | (Lesson & Garnot, 1826)
Lesson en Garnot beschreven de vogel in 1826 in een ander geslacht, zodat auteur en jaartal tussen haakjes staan. Zij voerden in datzelfde jaar ook het geslacht Phonygammus in; die naam speelt op het Griekse phōnē, 'stem, geluid', en wordt gelezen als 'aan het geluid verbonden', naar de luide roep. Het epitheton keraudrenii eert de Franse marinearts Pierre François Keraudren (1769–1858). Op Kaap York broedt de ondersoort gouldii.


